Nehemia 7:28
De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;
De mannen van Beth-Azmaveth, twee en veertig;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.
22De mannen van Netofa, zes en vijftig.
23De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig.
24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.
25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.
26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.
27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.
28De mannen van Beth-El en Ai, tweehonderd drie en twintig.
29De kinderen van Nebo, twee en vijftig.
26De mannen van Bethlehem en Netofa, honderd acht en tachtig;
27De mannen van Anathoth, honderd acht en twintig;
29De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;
30De mannen van Rama en Gaba, zeshonderd en twintig;
31De mannen van Michmas, honderd twee en twintig;
32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;
33De mannen van het andere Nebo, twee en vijftig;
13De kinderen van Zatthu, achthonderd vijf en veertig;
14De kinderen van Zakkai, zevenhonderd en zestig;
15De kinderen van Binnui, zeshonderd acht en veertig;
16De kinderen van Bebai, zeshonderd acht en twintig;
17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
18De kinderen van Adonikam, zeshonderd zeven en zestig;
19De kinderen van Bigvai, twee duizend, zeven en zestig;
8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.
9De kinderen van Zakkai, zevenhonderd zestig.
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
21De kinderen van Ater, van Hizkia, acht en negentig;
22De kinderen van Hassum, driehonderd acht en twintig;
23De kinderen van Bezai, driehonderd vier en twintig;
7Dewelke kwamen met Zerubbabel, Jesua, Nehemia, Azaria, Raamja, Nahamani, Mordechai, Bilsan, Mispereth, Bigvai, Nehim en Baena. Dit is het getal der mannen van het volk van Israel.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.
42De kinderen van Harim, duizend en zeventien;
43De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;
44De zangers: de kinderen van Asaf, honderd acht en veertig;
11En van de kinderen van Babai, Zacharja, de zoon van Bebai; en met hem acht en twintig manspersonen.
40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.
39Uria, de Hethiet, zeven en dertig in alles.
9Dezen nu in geslachtsregisters gesteld zijnde, naar hun geslachten, hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintig duizend en tweehonderd.
14En van de kinderen van Bigvai, Uthai en Zabbud; en met hen zeventig manspersonen.
14En hun broederen, dappere helden, waren honderd acht en twintig; en opziener over hen was Zabdiel, de zoon van Gedolim.
66Deze ganse gemeente te zamen was twee en veertig duizend, driehonderd en zestig;
67Behalve hun knechten en hun maagden, die waren zeven duizend, driehonderd zeven en dertig; en zij hadden tweehonderd vijf en veertig zangers en zangeressen.
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
7En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziel, en Jerimoth, en Iri; vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die, in geslachtsregisters gesteld zijnde, waren twee en twintig duizend en vier en dertig.
60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
8En van de kinderen van Sefatja, Zebadja, de zoon van Michael; en met hem tachtig manspersonen.
11De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;
15En de kinderen van Benjamin werden te dien dage geteld uit de steden, zes en twintig duizend mannen, die het zwaard uittrokken, behalve dat de inwoners van Gibea geteld werden, zevenhonderd uitgelezene mannen.