Ezra 2:39
De kinderen van Harim, duizend en zeventien.
De kinderen van Harim, duizend en zeventien.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
34De kinderen des anderen Elams, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
35De kinderen van Harim, driehonderd en twintig;
36De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig;
37De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd een en twintig;
38De kinderen van Senaa, drie duizend, negenhonderd en dertig;
39De priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig;
40De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig;
41De kinderen van Pashur, duizend, tweehonderd zeven en veertig;
42De kinderen van Harim, duizend en zeventien;
43De Levieten: de kinderen van Jesua, van Kadmiel, van de kinderen van Hodeva, vier en zeventig;
31De kinderen van den anderen Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
32De kinderen van Harim, driehonderd en twintig.
33De kinderen van Lod, Hadid en Ono, zevenhonderd vijf en twintig.
34De kinderen van Jericho, driehonderd vijf en veertig.
35De kinderen van Senaa, drie duizend zeshonderd en dertig.
36De priesters. De kinderen van Jedaja, van het huis van Jesua, negenhonderd drie en zeventig.
37De kinderen van Immer, duizend twee en vijftig.
38De kinderen van Pashur, duizend tweehonderd zeven en veertig.
24De kinderen van Harif, honderd en twaalf;
40De Levieten. De kinderen van Jesua en Kadmiel, van de kinderen van Hodavja, vier en zeventig.
24De kinderen van Azmaveth, twee en veertig.
25De kinderen van Kirjath-Arim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig.
26De kinderen van Rama en Gaba, zeshonderd een en twintig.
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
4De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig.
5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.
6De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua-Joab, twee duizend achthonderd en twaalf.
7De kinderen van Elam, duizend tweehonderd vier en vijftig.
8De kinderen van Zatthu, negenhonderd zestig.
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
9De kinderen van Sefatja, driehonderd twee en zeventig;
10De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
11De kinderen van Pahath-Moab, van de kinderen van Jesua en Joab, twee duizend, achthonderd en achttien;
12De kinderen van Elam, duizend, tweehonderd vier en vijftig;
31En van de kinderen van Harim: Eliezer, Jissia, Malchia, Semaja, Simeon,
17De kinderen van Bezai, driehonderd drie en twintig.
18De kinderen van Jora, honderd en twaalf.
19De kinderen van Hasum, tweehonderd drie en twintig.
57De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pocheret-Hazebaim, de kinderen van Ami.
58Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
60Al de Nethinim, en de kinderen der knechten van Salomo, waren driehonderd twee en negentig.
17De kinderen van Azgad, twee duizend, driehonderd twee en twintig;
51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
5Harim, Meremoth, Obadja,
10De kinderen van Bani, zeshonderd twee en veertig.
49De kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar;
42De kinderen der poortiers. De kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai; deze allen waren honderd negen en dertig.
12De kinderen van Azgad, duizend tweehonderd twee en twintig.
15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;
29De mannen van Kirjath-Jearim, Cefira en Beeroth, zevenhonderd drie en veertig;