1 Kronieken 11:40
Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;
Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
35Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;
36Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;
37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
38Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;
39Uria, de Hethiet, zeven en dertig in alles.
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
28Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;
29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;
30Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;
31Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;
32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;
33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;
34Van de kinderen van Hasem, den Gizoniet, was Jonathan, de zoon van Sage, de Harariet;
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;
38Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;
39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
26En ook was Ira, de Jairiet, Davids opperofficier.
29Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;
30Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas;
31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;
14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,
15En Zebadja, en Arad, en Eder,
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
4En Jismaja, de Gibeoniet, was een held onder de dertig, en over dertig gesteld; en Jirmeja, en Jahaziel, en Johanan, en Jozabad, de Gederathiet;
5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
5En Gera, en Sefufan, en Huram.
25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;
26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;
27Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;
5Harim, Meremoth, Obadja,
7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.
33Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;
53En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.
4Iddo, Ginnethoi, Abia,
16En de Jesubiet, en de Amoriet, en de Girgasiet,
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
31Van de Hebronieten was Jeria het hoofd, van de Hebronieten zijner geslachten onder de vaderen; in het veertigste jaar des koninkrijks van David zijn er gezocht en onder hen gevonden kloeke helden in Jaezer in Gilead.
31En Gedor, en Ahio, en Zecher.
44Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;
47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;
33Hazor, Rama, Gitthaim,
40Machnadbai, Sasai, Sarai,
14En den Jebusiet, en den Amoriet, en den Girgasiet,
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.