1 Kronieken 6:37
Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,
Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;
23Zijn zoon Elkana; en zijn zoon Ebjasaf; en zijn zoon Assir;
24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.
25De kinderen van Elkana nu waren Amasia en Ahimoth.
26Elkana; dezes zoon was Elkana; zijn zoon was Zofai; en zijn zoon was Nahath;
27Zijn zoon Eliab; zijn zoon Jeroham; zijn zoon Elkana.
24En Eleazar, de zoon van Aaron, nam voor zich een van de dochteren van Putiel tot een vrouw; en zij baarde hem Pinehas. Dit zijn de hoofden van de vaderen der Levieten, naar hun huisgezinnen.
38Den zoon van Jizhar, den zoon van Kahath, den zoon van Levi, den zoon van Israel.
39En zijn broeder Asaf stond aan zijn rechter zijde; Asaf was de zoon van Berechja, den zoon van Simea,
40Den zoon van Michael, den zoon van Baeseja, den zoon van Malchija,
41Den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,
42Den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simei,
43Den zoon van Jahath, den zoon van Gerson, den zoon van Levi.
44Hunne broeders nu, de kinderen van Merari, stonden aan de linker zijde, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch,
45Den zoon van Hasabja, den zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,
34Den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Eliel, den zoon van Toah,
35Den zoon van Zuf, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai,
36Den zoon van Elkana, den zoon van Joel, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,
6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;
18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
21En de zonen van Uzziel: Misael, en Elzafan, en Sithri.
1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.
2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
3En de kinderen van Amram waren Aaron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
4En Eleazar gewon Pinehas, Pinehas gewon Abisua;
30Zijn zoon Simea; zijn zoon Haggija; zijn zoon Asaja.
47Den zoon van Maheli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi.
6Van de kinderen van Merari was Asaja overste, en van zijn broederen waren tweehonderd en twintig.
50Dit nu zijn de kinderen van Aaron: Eleazar, was zijn zoon; Pinehas zijn zoon; Abisua zijn zoon;
51Bukki zijn zoon; Uzzi zijn zoon; Serahja zijn zoon;
52Merajoth zijn zoon; Amarja zijn zoon; Ahitub zijn zoon;
16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.
6En Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth;
7En Merajoth gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub;
27En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzzielieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten.
35En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.
1Korach nu, de zoon van Jizhar, zoon van Kohath, zoon van Levi, nam tot zich zo Dathan als Abiram, zonen van Eliab, en On, den zoon van Peleth, zonen van Ruben.
19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.
8De kinderen van Ethan nu waren Azaria.
3Den zoon van Amarja, den zoon van Azarja, den zoon van Merajoth,
11En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub;
19En Sallum, de zoon van Kore, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah, en zijn broeders van het huis zijns vaders, de Korathieten, waren over het werk van den dienst, wachters der dorpelen des tabernakels; gelijk hun vaders in het leger des HEEREN geweest waren bewaarders van den ingang;
18En de zonen van Merari: Machli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hun geboorten.
6En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en Heman, en Chalcol, en Dara. Deze allen zijn vijf.
5Den zoon van Abisua, den zoon van Pinehas, den zoon van Eleazar, den zoon van Aaron, den hoofdpriester.
1Aangaande de verdelingen der poortiers: van de Korahieten was Meselemja, de zoon van Kore, van de kinderen van Asaf.
37Dit zijn de getelden van de geslachten der Kahathieten, van al wie in de tent der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.