Numeri 34:24
En van den stam der kinderen van Efraim, de overste Kemuel, zoon van Siftan;
En van den stam der kinderen van Efraim, de overste Kemuel, zoon van Siftan;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
19En dit zijn de namen dezer mannen: van de stam van Juda, Kaleb, de zoon van Jefunne;
20En van den stam der kinderen van Simeon, Semuel, zoon van Ammihud;
21Van den stam van Benjamin, Elidad, zoon van Chislon;
22En van den stam der kinderen van Dan, de overste Bukki, zoon van Jogli;
23Van de kinderen van Jozef: van den stam der kinderen van Manasse, de overste Hanniel, zoon van Efod;
25En van den stam der kinderen van Zebulon, de overste Elizafan, zoon van Parnach;
26En van den stam der kinderen van Issaschar, de overste Paltiel, zoon van Azzan;
27En van den stam der kinderen van Aser, de overste Achihud, zoon van Selomi;
28En van den stam der kinderen van Nafthali, de overste Pedael, zoon van Ammihud.
29Dit zijn ze, dien de HEERE geboden heeft, den kinderen Israels de erfenissen uit te delen, in het land Kanaan.
9Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.
10Van de kinderen van Jozef: van Efraim, Elisama, de zoon van Ammihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.
19En over het heir van den stam der kinderen van Simeon was Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
18De banier des legers van Efraim, naar hun heiren, zal tegen het westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste der zonen van Efraim zijn.
12En nevens hem zal zich legeren de stam van Simeon; en Selumiel, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen van Simeon zijn.
6Van Simeon, Selumiel, de zoon van Zurisaddai.
16Doch over de stammen van Israel waren dezen: over de Rubenieten was Eliezer, de zoon van Zichri, voorganger; over de Simeonieten was Sefatja, de zoon van Maacha;
17Over de Levieten was Hasabja, de zoon van Kemuel; over de Aaronieten was Zadok;
7Daartoe de stam van Zebulon; en Eliab, de zoon van Helon, zal de overste der zonen van Zebulon zijn.
32Van de zonen van Jozef: van de zonen van Efraim, hun geboorten, naar hun geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen, van twintig jaren oud en daarboven, allen, die ten heire uittrokken,
33Waren hun getelden van den stam van Efraim veertig duizend en vijfhonderd;
19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.
20En de kinderen van Efraim waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath;
39Van Sefufam het geslacht der Sufamieten; van Hufam het geslacht der Hufamieten.
28De zonen van Jozef, naar hun geslachten, waren Manasse en Efraim.
22Daarna toog op de banier van het leger der kinderen van Efraim, naar hun heiren; en over het heir was Elisama, de zoon van Ammihud.
23En over het heir van den stam der kinderen van Manasse was Gamaliel, de zoon van Pedazur.
35Dit zijn de zonen van Efraim, naar hun geslachten: van Sutelah het geslacht der Sutelahieten; van Becher het geslacht der Becherieten; van Tahan het geslacht der Tahanieten.
36En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.
37Dat zijn de geslachten der zonen van Efraim, naar hun getelden: twee en dertig duizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen van Jozef, naar hun geslachten.
29Daartoe de stam van Nafthali; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Nafthali zijn.
24Van Jasub het geslacht der Jasubieten; van Simron het geslacht der Simronieten.
31En van Asriel het geslacht der Alrielieten; en van Sechem het geslacht der Sechemieten;
32En van Semida het geslacht der Semidaieten; en van Hefer het geslacht der Heferieten.
24Dezen nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten: Hefer, en Jisei, en Eliel, en Azriel, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiel; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.
20En nevens hem de stam van Manasse; en Gamaliel, de zoon van Pedazur, zal de overste der zonen van Manasse zijn.
24De kinderen van Simeon waren Nemuel en Jamin, Jarib, Zerah, Saul.
18Van de kinderen van Jizhar was Selomith het hoofd.
8Uit de kinderen van Elizafan was overste Semaja, en van zijn broederen waren tweehonderd.
12Van de stam van Dan, Ammiel, de zoon van Gemalli.
24Van de kinderen van Uzziel was Micha; van de kinderen van Micha was Samir;
24De overste nu van het vaderlijke huis der Gersonieten zal zijn Eljasaf, de zoon van Lael.
4En dit zijn hun namen: van den stam van Ruben, Sammua, de zoon van Zaccur.
20Over de kinderen van Efraim was Hosea, de zoon van Azarja; over den halven stam van Manasse was Joel, de zoon van Pedaja;
14En tien vorsten met hem, van ieder vaderlijk huis een vorst, uit al de stammen van Israel; en zij waren een ieder een hoofd van het huis hunner vaderen over de duizenden van Israel.
16En over het heir van den stam der kinderen van Zebulon was Eliab, de zoon van Helon.
30De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van de Kahathieten, zal zijn Elisafan, de zoon van Uzziel.
20De huisgezinnen nu der kinderen van Kahath, de Levieten, die overgebleven waren van de kinderen van Kahath, die hadden de steden huns lots van den stam van Efraim.
12De zonen van Simeon, naar hun geslachten: van Nemuel, het geslacht der Nemuelieten; van Jamin het geslacht der Jaminieten; van Jachin het geslacht der Jachinieten;