1 Kronieken 4:12

Statenvertaling (States Bible)

Eston nu gewon Beth-rafa, en Pasea, en Tehinna, den vader van Ir-nahas; dit zijn de mannen van Recha.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 11En Chelub, de broeder van Suha, gewon Mechir; hij is de vader van Eston.

  • 74%

    42De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.

    43De kinderen van Hebron nu waren Korah, en Tappuah, en Rekem, en Sema.

    44Sema nu gewon Raham, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.

  • 73%

    13En de kinderen van Kenaz waren Othniel en Seraja; en de kinderen van Othniel, Hathath.

    14En Meonothai gewon Ofra; en Seraja gewon Joab, den vader des dals der werkmeesters; want zij waren werkmeesters.

    15De kinderen van Kaleb nu, den zoon van Jefunne, waren Iru, Ela en Naam; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.

  • 1 Kron 4:2-7
    6 verzen
    72%

    2En Reaja, de zoon van Sobal, gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad; dit zijn de huisgezinnen der Zorathieten;

    3En dezen zijn van den vader Etam: Jizreel, en Isma, en Idbas; en de naam hunner zuster was Hazelelponi.

    4En Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.

    5Asschur nu, de vader van Thekoa, had twee vrouwen, Hela en Naara.

    6En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara.

    7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.

  • 37De kinderen van Rehuel waren Nahath, Zerah, Samma en Mizza.

  • 55En de huisgezinnen der schrijvers, die te Jabes woonden, de Tirathieten, de Simeathieten, de Suchathieten; dezen zijn de Kenieten, die gekomen zijn van Hammath, den vader van het huis van Rechab.

  • 70%

    34Abraham nu gewon Izak. De zonen van Izak waren Ezau en Israel.

    35En de kinderen van Ezau: Elifaz, Rehuel, en Jehus, en Jaelam, en Korah.

  • 25En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan;

  • 8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;

  • 1 Kron 8:1-2
    2 verzen
    70%

    1Benjamin nu gewon Bela, zijn eerstgeborene, Asbel, den tweede, en Ahrah, den derde,

    2Naho, den vierde, en Rafa, den vijfde.

  • 18Dit nu zijn de geboorten van Perez: Perez gewon Hezron;

  • 14En de zonen van Simeon: Jemuel, en Jamin, en Ohad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon ener Kanaanietische; dit zijn de huisgezinnen van Simeon.

  • 47De kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja;

  • 69%

    21De kinderen van Sela, den zoon van Juda, waren Er, de vader van Lecha, en Lada, de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis Asbea.

    22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.

  • 50De kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda;

  • 5Zijn zoon Micha; zijn zoon Reaja; zijn zoon Baal;

  • Luk 3:34-35
    2 verzen
    69%

    34Den zoon van Jakob, den zoon van Izak, den zoon van Abraham, den zoon van Thara, den zoon van Nachor,

    35Den zoon van Saruch, den zoon van Ragau, den zoon van Falek, den zoon van Heber, den zoon van Sala,

  • 27En Rekem, en Jirpeel, en Tharala,

  • 41De kinderen van Ana waren Dison; en de zonen van Dison waren Hamram, en Esban, en Jithran, en Cheran.

  • 36En dit zijn de zonen van Sutelah; van Eran het geslacht der Eranieten.

  • 22En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;

  • 9En de zonen van Ruben: Hanoch, en Pallu, en Hezron, en Karmi.

  • 47De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saaf.

  • 21De kinderen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Sechanja.

  • 43En Moza gewon Bina; wiens zoon was Refaja; wiens zoon was Elasa; wiens zoon was Azel.

  • 19En de kinderen van de huisvrouw Hodija, de zuster van Naham, waren Abi-Kehila, de Garmiet, en Esthemoa, de Maachathiet.

  • 35De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Thaarea, en Achaz.

  • 9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.

  • 37Den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korah,

  • 25Heber, Peleg, Rehu,

  • 13En dit zijn de zonen van Rehuel: Nahath, en Zerah, Samma en Mizza; dat zijn geweest de zonen van Basmath, Ezau's huisvrouw.

  • 22De kinderen van Kahath waren: zijn zoon Amminadab; zijn zoon Korah; zijn zoon Assir;

  • 14Nethaneel, den vierde, Raddai, den vijfde,

  • 53En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jithrieten, en de Futhieten, en de Sumathieten, en de Misraieten; van dezen zijn uitgegaan de Zoraieten en de Esthaolieten.

  • 3En Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Esrom, en Esrom gewon Aram;