1 Kronieken 7:38
De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.
De kinderen van Jether nu waren Jefunne, en Pispa, en Ara.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,
37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.
39En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanniel, en Rizja.
30De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.
31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.
32En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.
33De kinderen van Jaflet nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath; dit waren de kinderen van Jaflet.
34En de zonen van Semer waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.
7En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
10De kinderen van Arach, zeshonderd twee en vijftig;
10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.
12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.
13De kinderen van Nafthali waren Jahziel, en Guni, en Jezer, en Sallum, kinderen van Bilha.
6En Nogah, en Nefeg, en Jafia,
5De kinderen van Arach, zevenhonderd vijf en zeventig.
42De kinderen van Ezer waren Bilhan, en Zaavan, en Jaakan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.
6En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara.
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,
15En Zebadja, en Arad, en Eder,
16En Michael, en Jispa, en Joha waren kinderen van Beria.
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
18En Jismerai, en Jizlia en Jobab, de kinderen van Elpaal.
21Zijn zoon Joah; zijn zoon Iddo; zijn zoon Zerah; zijn zoon Jeathrai.
16En de kinderen van Jehalelel waren Zif en Zifa, Thirea en Asareel.
47De kinderen van Jochdai nu waren Regem, en Jotham, en Gesan, en Pelet, en Efa, en Saaf.
27En Jaaresja, en Elia, en Zichri waren zonen van Jeroham.
15En Ibchar, en Elischua en Nefeg, en Jafia,
18Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.
21En de zonen van Uzziel: Misael, en Elzafan, en Sithri.
6De kinderen van Benjamin waren Bela, en Becher, en Jediael; drie.
17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.
47De kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon;
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
58De kinderen van Jaela, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel;
59De kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochereth van Zebaim, de kinderen van Amon;
8De kinderen van Becher nu waren Zemira, en Joas, en Eliezer, en Eljoenai, en Omri, en Jeremoth, en Abija, en Anathoth, en Alemeth; deze allen waren kinderen van Becher.
27Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.
20En Hasuba, en Ohel, en Berechja, en Hasadja, Jusabhesed; vijf.
7En Joela en Zebadja, de zonen van Jeroham, van Gedor.
33De kinderen van Jonathan nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen van Jerahmeel.