Esther 9:8
En Poratha, en Adalia, en Aridatha,
En Poratha, en Adalia, en Aridatha,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
7En Parsandatha, en Dalfon, en Asfata,
9En Parmastha, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha,
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
13Hodia, Bani, Beninu;
14De hoofden des volks: Parhos, Pahath-Moab, Elam, Zatthu, Bani,
15Bunni, Azgad, Bebai,
16Adonia, Bigvai, Adin,
17Ater, Hizkia, Azzur,
18Hodia, Hasum, Bezai,
19Harif, Anathoth, Nebai,
20Magpias, Mesullam, Hezir,
21Mesezabeel, Zadok, Jaddua,
22Pelatja, Hanan, Anaja,
15En Zebadja, en Arad, en Eder,
23En Abdon, en Zichri, en Hanan,
24En Hananja, en Elam, en Antothija,
2Seraja, Azarja, Jeremia,
3Pashur, Amarja, Malchia,
4Hattus, Sebanja, Malluch,
5Harim, Meremoth, Obadja,
6Daniel, Ginnethon, Baruch,
8En Elisama, en Eljada, en Elifelet, negen.
39En Selemja, en Nathan, en Adaja,
40Machnadbai, Sasai, Sarai,
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
12Johanan de achtste; Elzabad de negende;
26En Samserai, en Seharja, en Athalja,
12En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pashur, den zoon van Malchija; en Massi, de zoon van Adiel, den zoon van Jahzera, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillemith, den zoon van Immer.
27Malluch, Harim, Baana.
18Dezes zonen waren Malchiram, en Pedaja, en Senazar, Jekamja, Hosama en Nedabja.
24Hallohes, Pilha, Sobek,
25Rehum, Hasabna, Maaseja,
1Dit nu zijn de hoofden hunner vaderen, met hun geslachtsrekening, die met mij uit Babel optogen, onder het koninkrijk van den koning Arthahsasta.
2Van de kinderen van Pinehas, Gersom; van de kinderen van Ithamar, Daniel; van de kinderen van David, Hattus.
37En Gedor, en Ahio, en Zacharja, en Mikloth.
27En van de kinderen van Zatthu: Eljoenai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, Aziza.
28En van de kinderen van Bebai: Johanan, Hananja, Sabbai, en Athlai.
6Semaja, en Jojarib, Jedaja,
8De kinderen van Parhos waren twee duizend, honderd twee en zeventig;
4Iddo, Ginnethoi, Abia,
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
19En van Jojarib, Matthenai; van Jedaja, Uzzi;
14De naasten nu bij hem waren Carsena, Sethar, Admatha, Tharsis, Meres, Marsena, Memuchan, zeven vorsten der Perzen en der Meden, die het aangezicht des konings zagen, die vooraan zaten in het koninkrijk),
9Toen Rehum, de kanselier, en Simsai, de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaieten, de Afarsathchieten, de Tarpelieten, de Afarsieten, de Archevieten, de Babyloniers, de Susanchieten, de Dehavieten, de Elamieten,
18En Jismerai, en Jizlia en Jobab, de kinderen van Elpaal.
12Op een dag in al de landschappen van den koning Ahasveros, op den dertienden der twaalfde maand; deze is de maand Adar.
22En Kina, en Dimona, en Adada,
10Van de priesteren nu, Jedaja, en Jojarib, en Jachin,
3De kinderen van Paros, twee duizend honderd twee en zeventig.
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,