1 Kronieken 11:29
Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;
Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
28Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;
30Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;
31Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;
32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;
33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;
25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;
26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;
27Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;
28Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;
29Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;
30Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas;
31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;
32Eljachba, de Saalboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan;
33Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;
34Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;
35Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;
36Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;
37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
38Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;
11De achtste, in de achtste maand, was Sibbechai, de Husathiet, van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
36Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;
37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;
39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
40Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;
41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
47Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.
31En de kinderen van Appaim waren Jisei; en de kinderen van Jisei waren Sesan; en de kinderen van Sesan, Achlai.
5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;
22En Jispan, en Eber, en Eliel,
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
11Micha, Rehob, Hasabja,
12Zakkur, Serebja, Sebanja,
20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,
17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,
3Elihoref, en Ahia, de zoon van Sisa, waren schrijvers; Josafat, de zoon van Ahilud, was kanselier.
44Uzzia, de Asterathiet; Sama, en Jeiel, de zoon van Hotham, den Aroeriet;
14En Ahjo, Sasak en Jeremoth,
16En Elischama, en Eljade, en Elifeleth.
4En het geschiedde daarna, als de krijg met de Filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sibchai, de Husathiet, Sippai, die van de kinderen van Rafa was; en zij werden ten ondergebracht.
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
6Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,
18En het geschiedde daarna, dat er wederom een krijg was te Gob tegen de Filistijnen. Toen sloeg Sibbechai, de Husathiet, Saf, die van de kinderen van Rafa was.
35Benaja, Bedeja, Cheluhu,
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
17Ater, Hizkia, Azzur,