1 Kronieken 11:30

Statenvertaling (States Bible)

Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 2 Sam 23:29 : 29 Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;
  • 1 Kron 27:13 : 13 De tiende, in de tiende maand, was Maharai, de Nethofathiet, van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
  • 1 Kron 27:15 : 15 De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai, de Nethofathiet, van Othniel; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 84%

    25Samma, de Harodiet; Elika, de Harodiet;

    26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;

    27Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;

    28Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;

    29Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;

    30Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas;

    31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;

    32Eljachba, de Saalboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan;

    33Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;

    34Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;

    35Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;

    36Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;

    37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;

    38Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;

  • 77%

    35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;

    36Hefer, de Mecherathiet; Ahia, de Peloniet;

    37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;

    38Joel, de broeder van Nathan; Mibhar, de zoon van Geri;

    39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;

    40Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;

    41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;

  • 76%

    26De helden nu der heiren waren: Asahel, de broeder van Joab; Elhanan, de zoon van Dodo, van Bethlehem;

    27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;

    28Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;

    29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;

  • 75%

    31Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;

    32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;

    33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;

  • 74%

    46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;

    47Eliel, en Obed, en Jaaziel van Mezobaja.

  • 15Van Harim, Adna; van Merajoth, Helkai;

  • 13De tiende, in de tiende maand, was Maharai, de Nethofathiet, van de Zerahieten; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

  • 15De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai, de Nethofathiet, van Othniel; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

  • 35Benaja, Bedeja, Cheluhu,

  • 17En Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,

  • 43Hanan, de zoon van Maacha, en Josafat, de Mithniet;

  • 21Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel.

  • 27Malluch, Harim, Baana.

  • 12Baana, de zoon van Ahilud, had Taanach, en Megiddo, en het ganse Beth-Sean, hetwelk is bij Zartana, beneden van Jizreel, van Beth-Sean aan tot Abel-Mehola, tot op gene zijde van Jokmeam.

  • 5Eluzai, en Jerimoth, en Bealja, en Semarja, en Sefatja, de Harufiet;

  • 5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,

  • 3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.

  • 7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.

  • 11Micha, Rehob, Hasabja,

  • 40Machnadbai, Sasai, Sarai,

  • 20En Eljoenai, en Zillethai, en Eliel,

  • 5Harim, Meremoth, Obadja,

  • 6Daartoe Jibchar, en Elisama, en Elifelet,

  • 30En van de kinderen van Pahath-Moab: Adna, en Chelal, Benaja, Maaseja, Mattanja, Bezaleel, en Binnui, en Manasse.

  • 8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;