1 Kronieken 11:31
Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;
Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins; Benaja, de Pirhathoniet;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
26Helez, de Paltiet; Ira, de zoon van Ikes, de Thekoiet;
27Abi-ezer, de Anetothiet; Mebunnai, de Husathiet;
28Zalmon, de Ahohiet; Maharai, de Netofathiet;
29Heleb, de zoon van Baena, de Netofathiet; Ithai, de zoon van Ribai, van Gibea der kinderen Benjamins;
30Benaja, de Pirhathoniet; Hiddai, van de beken van Gaas;
31Abi-Albon, de Arbathiet; Azmaveth, de Barhumiet;
32Eljachba, de Saalboniet; van de zonen van Jazen, Jonathan;
33Samma, de Harariet; Ahiam, de zoon van Sarar, de Harariet;
34Elifelet, de zoon van Ahasbai, de zoon van een Maachathiet; Eliam, de zoon van Achitofel, de Giloniet;
35Hezrai, de Karmeliet; Paerai, de Arbiet;
36Jig-al, de zoon van Nathan, van Zoba; Bani, de Gadiet;
37Zelek, de Ammoniet; Naharai, de Beerothiet, de wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
38Ira, de Jethriet; Gareb, de Jethriet;
32Hurai, van de beken van Gaas; Abiel; de Arbathiet;
33Azmaveth, de Baharumiet; Eljahba, de Saalboniet;
27Sammoth, de Harodiet; Helez, de Peloniet;
28Ira, de zoon van Ikkes, de Thekoiet; Abiezer, de Anathothiet;
29Sibbechai, de Husathiet; Ilai, de Ahohiet;
30Maharai, de Netofathiet; Heled, de zoon van Baana, de Netofathiet;
39Zelek, de Ammoniet; Nahrai, de Berothiet, wapendrager van Joab, den zoon van Zeruja;
40Ira, de Jithriet; Gareb, de Jithriet;
41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
14De elfde, in de elfde maand, was Benaja, de Pirhathoniet, van de kinderen van Efraim; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
11Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.
24Deze dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; dies had hij een naam onder die drie helden.
35Benaja, Bedeja, Cheluhu,
4Uthai, de zoon van Ammihud, den zoon van Omri, den zoon van Imri, den zoon van Bani, van de kinderen van Perez, den zoon van Juda.
46Eliel Hammahavim en Jeribai, en Josavia, de zonen van Elnaam; en Jithma, de Moabiet;
3Het hoofd was Ahiezer, en Joas, zonen van Semaa, den Gibeathiet; daarna Jeziel en Pelet, zonen van Azmaveth, en Beracha, en Jehu, de Anathothiet.
5De derde overste des heirs in de derde maand was Benaja, de zoon van Jojada, den opperambtman; die was het hoofd; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.
6Deze Benaja was een held van de dertig, en over de dertig; en over zijn verdeling was Ammizabad, zijn zoon.
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
17En Benaja, de zoon van Jojada, was over de Krethi en Plethi; maar de zonen van David waren de eersten aan de hand des konings.
22Daartoe de stam van Benjamin; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste der zonen van Benjamin zijn.
22Die dingen deed Benaja, de zoon van Jojada; dies had hij een naam onder de drie helden.
23Joab nu was over het ganse heir van Israel; en Benaja, de zoon van Jojada, over de Krethi en over de Plethi;
8En Jibnea, de zoon van Jeroham, en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Reuel, den zoon van Jibnija;
38En Bani, en Binnui, Simei,
21Over half Manasse, in Gilead, was Jiddo, de zoon van Zecharja; over Benjamin was Jaasiel, de zoon van Abner;
36En Eljoenai, en Jaakoba, en Jesohaja, en Asaja, en Adiel, en Jesimeel, en Benaja,
11Attai de zesde; Eliel de zevende;
31De kinderen van Benjamin nu van Geba woonden in Michmas, en Aja, en Beth-El, en haar onderhorige plaatsen,
37Hezro, de Karmeliet; Naari, de zoon van Ezbai;
25En van Israel: van de kinderen van Paros: Ramja, en Jezia, en Malchia, en Mijamim, en Eleazar, en Malchia, en Benaja.
13Hodia, Bani, Beninu;
5En Jibchar, en Elisua, en Elpelet,
18Er was ook Benaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.
34En na Achitofel was Jojada, de zoon van Benaja, en Abjathar; maar Joab was des konings krijgsoverste.
15Ahi, de zoon van Abdiel, den zoon van Guni, was het hoofd van het huis hunner vaderen.
18Simei, de zoon van Ela, in Benjamin.