1 Kronieken 2:20
En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezaleel.
En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezaleel.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.
19Als nu Azuba gestorven was, zo nam zich Kaleb Efrath, die baarde hem Hur.
2Zie, Ik heb met name geroepen Bezaleel, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda.
22Bezaleel nu, de zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda, maakte al, dat de HEERE aan Mozes geboden had.
30Daarna zeide Mozes tot de kinderen Israels: Ziet, de HEERE heeft met name geroepen Bezaleel, den zoon van Uri, den zoon van Hur, van den stam van Juda.
4En Pnuel was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husah. Dit zijn de kinderen van Hur, den eerstgeborene van Efratha, den vader van Bethlehem.
50Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur, den eerstgeborene van Efratha: Sobal, de vader van Kirjath-Jearim;
51Salma, de vader der Bethlehemieten; Haref, de vader van Beth-Gader.
1De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Charmi, en Hur, en Sobal.
5En Gera, en Sefufan, en Huram.
8En dit zijn hun namen: de zoon van Hur was in het gebergte van Efraim.
31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.
5De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.
46En Efa, het bijwijf van Kaleb, baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.
6En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara.
7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.
8En Koz gewon Anub en Hazobeba, en de huisgezinnen van Aharlel, den zoon van Harum.
21Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir, den vader van Gilead, en hij nam ze, toen hij zestig jaren oud was; en zij baarde hem Segub.
5Ook was het koperen altaar, dat Bezaleel, de zoon van Uri, den zoon van Hur, gemaakt had, aldaar voor den tabernakel des HEEREN; Salomo nu en de gemeente bezochten hetzelve.
24En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekoa.
25De kinderen van Jerahmeel nu, den eerstgeborene van Hezron, waren deze: de eerstgeborene was Ram, daartoe Buna, en Oren, en Ozem en Ahia.
9En de kinderen van Hezron, die hem geboren zijn, waren Jerahmeel, en Ram, en Chelubai.
4En Eleazar gewon Pinehas, Pinehas gewon Abisua;
5En Abisua gewon Bukki, en Bukki gewon Uzzi;
6En Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth;
18Dit nu zijn de geboorten van Perez: Perez gewon Hezron;
37En Zabad gewon Eflal, en Eflal gewon Obed,
38En Obed gewon Jehu, en Jehu gewon Azaria,
39En Azaria gewon Helez, en Helez gewon Elasa,
19En de zonen van Kahath, naar hun geslachten; Amram en Izhar, Hebron en Uzziel.
2De kinderen van Kahath nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
6En Jessai gewon David, den koning; en David, den koning, gewon Salomon bij degene, die Uria's vrouw was geweest;
21Uz, zijn eerstgeborene, en Buz, zijn broeder, en Kemuel, de vader van Aram,
22En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;
23Daarna ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Beria, omdat zij in ellende was in zijn huis.
13En Zorobabel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljakim, en Eljakim gewon Azor;
14En Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Eliud;
42De kinderen van Kaleb nu, den broeder van Jerahmeel, zijn Mesa, zijn eerstgeborene (die is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa, den vader van Hebron.
18En de kinderen van Kahath waren Amram, en Jizhar, en Hebron, en Uzziel.
14Dezen zijn de kinderen van Abihail, den zoon van Huri, den zoon van Jaroah, den zoon van Gilead, den zoon van Michael, den zoon van Jesisai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.
41Uria, de Hethiet; Zabad, de zoon van Ahlai;
51De kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur;
21En de zonen van Perez waren: van Hezron het geslacht der Hezronieten; van Hamul het geslacht der Hamulieten.
24En Arfachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.
27En van Kahath is het geslacht der Amramieten, en het geslacht der Izharieten, en het geslacht der Hebronieten, en het geslacht der Uzzielieten; dit zijn de geslachten der Kahathieten.
35Ahiam, de zoon van Sachar, de Harariet; Elifal, de zoon van Ur;
12En de zonen van Juda: Er, en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah. Doch Er en Onan waren gestorven in het land van Kanaan; en de zonen van Perez waren Hezron en Hamul.
11En Jahath was het hoofd, en Zizza de tweede; maar Jeus en Beria hadden niet vele kinderen; daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van een telling.
13En Sallum gewon Hilkia, en Hilkia gewon Azarja;
5Van de kinderen van Kehath was Uriel overste, en van zijn broederen waren honderd en twintig.