Genesis 21:28

Statenvertaling (States Bible)

Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde bijzonder.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Gen 21:29-30
    2 verzen
    90%

    29Zo zeide Abimelech tot Abraham: Wat zullen hier deze zeven ooilammeren, die gij bijzonder gesteld hebt?

    30En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijn hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij, dat ik dezen put gegraven heb.

  • 27En Abraham nam schapen en runderen, en gaf die aan Abimelech; en die beiden maakten een verbond.

  • 29Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;

  • Gen 30:39-40
    2 verzen
    72%

    39Als dan de kudde verhit werd bij de roeden, zo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte.

    40Toen scheidde Jakob de lammeren, en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde, en al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijn kudden alleen, en hij zette ze niet bij de kudde van Laban.

  • Gen 18:7-8
    2 verzen
    71%

    7En Abraham liep tot de runderen, en hij nam een kalf, teder en goed, en hij gaf het aan den knecht, die haastte, om dat toe te maken.

    8En hij nam boter en melk, en het kalf, dat hij toegemaakt had, en hij zette het hun voor, en stond bij hen onder dien boom, en zij aten.

  • Gen 32:14-16
    3 verzen
    71%

    14Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;

    15Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.

    16En hij gaf die in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide tot zijn knechten: Gaat gijlieden door, voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tussen kudde en tussen kudde.

  • 21Tot elk zult gij een tiende deel bereiden tot een lam, tot die zeven lammeren toe.

  • Gen 30:35-36
    2 verzen
    70%

    35En hij zonderde af ten zelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken en al de gespikkelde en geplekte geiten, al waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren; en hij gaf dezelve in de hand zijner zonen.

    36En hij stelde een weg van drie dagen tussen hem, en tussen Jakob; en Jakob weidde de overige kudde van Laban.

  • 10Tot elk een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;

  • Gen 15:9-11
    3 verzen
    69%

    9En Hij zeide tot hem: Neem Mij een driejarige vaars, en een driejarige geit, en een driejarige ram, en een tortelduif, en een jonge duif.

    10En hij bracht Hem deze alle, en hij deelde ze middendoor, en hij legde elks deel tegen het andere over; maar het gevogelte deelde hij niet.

    11En het wild gevogelte kwam neder op het aas; maar Abram joeg het weg.

  • 32En op den zevenden dag: zeven varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;

  • 29Daarna op den zesden dag: acht varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;

  • 15En tot elke een tiende tot een lam, tot die veertien lammeren toe;

  • 5En Lot, die met Abram toog, had ook schapen, en runderen, en tenten.

  • 14Toen nam Abimelech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf dezelve aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijn huisvrouw weder.

  • Gen 22:7-8
    2 verzen
    68%

    7Toen sprak Izak tot Abraham, zijn vader, en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie, hier ben ik, mijn zoon! En hij zeide: Zie het vuur en het hout; maar waar is het lam tot het brandoffer?

    8En Abraham zeide: God zal Zichzelven een lam ten brandoffer voorzien, mijn zoon! Zo gingen zij beiden samen.

  • 21Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

  • 4En een tiende tot een lam, tot die zeven lammeren toe;

  • 21Maar Mijn verbond zal Ik met Izak oprichten, die u Sara op dezen gezetten tijd in het andere jaar baren zal.

  • Num 7:27-28
    2 verzen
    67%

    27Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

    28Een geitenbok, ten zondoffer;

  • 24Het zij buiten mij; alleen wat de jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen, die met mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mamre, laat die hun deel nemen!

  • 9Alzo heeft God uw vader het vee ontrukt, en aan mij gegeven.

  • 23Verder op den vierden dag: tien varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;

  • 81Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

  • 26En op den vijfden dag: negen varren, twee rammen, en veertien volkomen eenjarige lammeren;

  • 20En op den dertienden dag: elf varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;

  • 51Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;

  • 19Maar gij zult een vuuroffer ten brandoffer den HEERE offeren: twee jonge varren, en een ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn.

  • 16En hij deed Abram goed, om harentwil; zodat hij had schapen, en runderen, en ezelen, en knechten, en maagden, en ezelinnen, en kemelen.

  • 23Toen nam Abraham zijn zoon Ismael, en al de ingeborenen van zijn huis, en alle gekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden van het huis van Abraham, en hij besneed het vlees hunner voorhuid, even ten zelfden dage, gelijk als God met hem gesproken had.

  • 42Maar als de kudde spade hittig werd, zo stelde hij ze niet, zodat de spadelingen Laban, en de vroegelingen Jakob toekwamen.

  • 7En hij zeide: Ziet, het is nog hoog dag, het is geen tijd, dat het vee verzameld worde; drenkt de schapen, en gaat heen, weidt dezelve.