Jozua 20:1

Statenvertaling (States Bible)

Verder sprak de HEERE tot Jozua, zeggende:

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Joz 5:14 : 14 En Hij zeide: Neen, maar Ik ben de Vorst van het heir des HEEREN: Ik ben nu gekomen! Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad, en zeide tot Hem: Wat spreekt mijn Heere tot Zijn knecht?
  • Joz 6:2 : 2 Toen zeide de HEERE tot Jozua: Zie, Ik heb Jericho met haar koning en strijdbare helden in uw hand gegeven.
  • Joz 7:10 : 10 Toen zeide de HEERE tot Jozua: Sta op; waarom ligt gij dus neder op uw aangezicht?
  • Joz 13:1-7 : 1 Jozua nu was oud, wel bedaagd; en de HEERE zeide tot hem: Gij zijt oud geworden, welbedaagd, en er is zeer veel lands overgebleven, om dat erfelijk te bezitten. 2 Dit is het land, dat overgebleven is; al de grenzen der Filistijnen en het ganse Gesuri. 3 Van de Sichor, die voor aan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het noorden, dat den Kanaanieten toegerekend wordt; vijf vorsten der Filistijnen, de Gazatiet en Asdodiet, de Askeloniet, de Gathiet en Ekroniet, en de Avvieten. 4 Van het zuiden, het ganse land der Kanaanieten, en Meara, die van de Sidoniers is, tot Afek toe, tot aan de landpale der Amorieten. 5 Daartoe het land der Giblieten, en de ganse Libanon tegen den opgang der zon, van Baal-Gad, onder aan den berg Hermon, tot aan den ingang van Hamath. 6 Allen, die op het gebergte wonen van den Libanon aan tot Misrefoth-maim toe, al de Sidoniers; Ik zal hen verdrijven van het aangezicht der kinderen Israels; alleenlijk maak, dat het Israel ten erfdeel valle, gelijk als Ik u geboden heb. 7 En nu, deel dit land tot een erfdeel aan de negen stammen, en aan den halven stam van Manasse,

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 15De HEERE dan sprak tot Jozua, zeggende:

  • 2Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Geeft voor ulieden de vrijsteden, waarvan Ik met ulieden gesproken heb door den dienst van Mozes.

  • 1Het geschiedde nu, toen al het volk geeindigd had over de Jordaan te trekken, dat de HEERE tot Jozua sprak, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Het geschiedde nu, na den dood van Mozes, den knecht des HEEREN, dat de HEERE tot Jozua, den zoon van Nun, den dienaar van Mozes, sprak, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 16Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 10Toen gebood Jozua den ambtlieden des volks, zeggende:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 1Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • Joz 1:12-13
    2 verzen
    78%

    12En Jozua sprak tot de Rubenieten en Gadieten, en den halven stam van Manasse, zeggende:

    13Gedenkt aan het woord, hetwelk Mozes, de knecht des HEEREN, ulieden geboden heeft, zeggende: De HEERE, uw God, geeft ulieden rust, en Hij geeft u dit land;

  • 50En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 17Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Toen riep Jozua de Rubenieten, en de Gadieten, en den halven stam van Manasse,

  • 9Toen zeide Jozua tot de kinderen Israels: Nadert herwaarts, en hoort de woorden des HEEREN, uws Gods.

  • 7En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 17Dat de HEERE tot mij sprak, zeggende:

  • 1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 6En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Wijders sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 6Toen betuigde de Engel des HEEREN Josua, zeggende:

  • 7En Mozes riep Jozua, en zeide tot hem voor de ogen van gans Israel: Wees sterk en heb goeden moed, want gij zult met dit volk ingaan in het land dat de HEERE hun vaderen gezworen heeft, hun te zullen geven; en gij zult het hun doen erven.

  • 16Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • Num 27:22-23
    2 verzen
    75%

    22En Mozes deed, gelijk als de HEERE hem geboden had; want hij nam Jozua, en stelde hem voor het aangezicht van Eleazar, den priester, en voor het aangezicht der ganse vergadering.

    23En hij legde zijn handen op hem, en gaf hem bevel; gelijk als de HEERE door den dienst van Mozes gesproken had.

  • 52En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 1Toen sprak God al deze woorden, zeggende:

  • 1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 18Toen zeide de HEERE tot Mozes: Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een man, in wien de Geest is; en leg uw hand op hem;