Numeri 33:50

Statenvertaling (States Bible)

En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 33:48-49 : 48 En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho. 49 En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimoth, tot aan Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabieten.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:

  • 3Mozes dan en Eleazar, de priester, spraken hen aan, in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:

  • 16Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 51Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gijlieden over de Jordaan zult gegaan zijn in het land Kanaan;

  • Num 33:48-49
    2 verzen
    82%

    48En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.

    49En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimoth, tot aan Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabieten.

  • 13Dat zijn de geboden en de rechten, die de HEERE door de dienst van Mozes aan de kinderen Israels geboden heeft, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.

  • 82%

    48Daarna sprak de HEERE tot Mozes, op dienzelfden dag, zeggende:

    49Klim op den berg Abarim (deze is de berg Nebo, die in het land van Moab is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaan, dat Ik den kinderen Israels tot een bezitting geven zal;

  • 5Aan deze zijde van de Jordaan, in het land van Moab, hief Mozes aan, deze wet uit te leggen, zeggende:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Toen ging Mozes op, uit de vlakke velden van Moab, naar den berg Nebo, op de hoogten van Pisga, welke recht tegenover Jericho is; en de HEERE wees hem dat ganse land, Gilead tot Dan toe;

  • 32Dat is het, wat Mozes ten erve uitgedeeld had in de velden van Moab, op gene zijde der Jordaan van Jericho, tegen het oosten.

  • 1Daarna reisden de kinderen van Israel, en legerden zich in de vlakken velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho.

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 16Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 52En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 17Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 23De HEERE nu sprak tot Mozes, en tot Aaron, aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 7En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • Num 35:9-10
    2 verzen
    78%

    9Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

    10Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Wanneer gij over de Jordaan gaat naar het land Kanaan.

  • 10Ga heen, spreek tot Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken late.

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, aan den berg Sinai, zeggende:

  • 44Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 11Ook heeft de HEERE tot Mozes gesproken, zeggende:

  • 10Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 15De HEERE dan sprak tot Jozua, zeggende:

  • 1Dit zijn de woorden, die Mozes tot gans Israel gesproken heeft, aan deze zijde van de Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Suf, tussen Paran en tussen Tofel, en Laban, en Hazeroth, en Dizahab.

  • 15Toen sprak Mozes tot den HEERE, zeggende:

  • 1Dit zijn de woorden des verbonds, dat de HEERE Mozes geboden heeft te maken met de kinderen Israels, in het land van Moab, boven het verbond, dat Hij met hen gemaakt had aan Horeb.

  • 46Aan deze zijde van de Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van Sihon, den koning der Amorieten, die te Hesbon woonde; welken Mozes sloeg, en de kinderen Israels, als zij uit Egypte waren uitgetogen,

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 26Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Jozua, zeggende:

  • 5Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 17Dat de HEERE tot mij sprak, zeggende:

  • 11Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 14En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinai, zeggende:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: