Numeri 20:23
De HEERE nu sprak tot Mozes, en tot Aaron, aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:
De HEERE nu sprak tot Mozes, en tot Aaron, aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
22Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israels kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor.
27Mozes nu deed, gelijk als de HEERE geboden had; want zij klommen op tot den berg Hor, voor de ogen der ganse vergadering.
28En Mozes trok Aaron zijn klederen uit, en hij trok ze zijn zoon Eleazar aan; en Aaron stierf aldaar, op de hoogte diens bergs. Toen kwam Mozes en Eleazar van dien berg af.
24Aaron zal tot zijn volken verzameld worden; want hij zal niet komen in het land, hetwelk Ik aan de kinderen Israels gegeven heb, omdat gijlieden Mijn mond wederspannig geweest zijt bij de wateren van Meriba.
25Neem Aaron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot den berg Hor.
37En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.
38Toen ging de priester Aaron op den berg Hor, naar den mond des HEEREN, en stierf aldaar, in het veertigste jaar na den uittocht van de kinderen Israels uit Egypteland, in de vijfde maand, op den eersten der maand.
39Aaron nu was honderd drie en twintig jaren oud, als hij stierf op den berg Hor.
20En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
7En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
50En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:
26Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
10Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
15Toen sprak Mozes tot den HEERE, zeggende:
1Wijders sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
11Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
33Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
44Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
12Daarna zeide de HEERE tot Mozes: Klim op dezen berg Abarim, en zie dat land, hetwelk Ik den kinderen Israels gegeven heb.
13En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
3Mozes dan en Eleazar, de priester, spraken hen aan, in de vlakke velden van Moab, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:
16Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
10Ga heen, spreek tot Farao, den koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels uit zijn land trekken late.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
50En sterf op dien berg, waarheen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uw volken; gelijk als uw broeder Aaron stierf op den berg Hor, en werd tot zijn volken vergaderd.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
8En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
22En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
17Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
5En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
16Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
11Ook heeft de HEERE tot Mozes gesproken, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, aan den berg Sinai, zeggende:
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: