Numeri 33:37

Statenvertaling (States Bible)

En zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Num 21:4 : 4 Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.
  • Num 20:22-23 : 22 Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israels kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor. 23 De HEERE nu sprak tot Mozes, en tot Aaron, aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:
  • Num 20:16 : 16 Toen riepen wij tot den HEERE, en Hij hoorde onze stem, en Hij zond een Engel, en Hij leidde ons uit Egypte; en ziet, wij zijn te Kades, en stad aan het uiterste uwer landpale.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 33:41-44
    4 verzen
    85%

    41En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zalmona.

    42En zij verreisden van Zalmona, en legerden zich in Funon.

    43En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth.

    44En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab.

  • Num 20:22-23
    2 verzen
    84%

    22Toen reisden zij van Kades; en de kinderen Israels kwamen, de ganse vergadering, aan den berg Hor.

    23De HEERE nu sprak tot Mozes, en tot Aaron, aan den berg Hor, aan de pale van het land van Edom, zeggende:

  • Num 33:29-36
    8 verzen
    83%

    29En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona.

    30En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Moseroth.

    31En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-Jaakan.

    32En zij verreisden van Bene-Jaakan, en legerden zich in Hor-Gidgad.

    33En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha.

    34En zij verreisden van Jotbatha, en legerden zich in Abrona.

    35En zij verreisden van Abrona, en legerden zich in Ezeon-Geber.

    36En zij verreisden van Ezeon-Geber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.

  • Num 33:15-19
    5 verzen
    80%

    15En zij verreisden van Rafidim, en legerden zich in de woestijn van Sinai.

    16En zij verreisden uit de woestijn van Sinai, en legerden zich in Kibroth-Thaava.

    17En zij verreisden van Kibroth-Thaava, en legerden zich in Hazeroth.

    18En zij verreisden van Hazeroth, en legerden zich in Rithma.

    19En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-Perez.

  • Num 33:38-39
    2 verzen
    80%

    38Toen ging de priester Aaron op den berg Hor, naar den mond des HEEREN, en stierf aldaar, in het veertigste jaar na den uittocht van de kinderen Israels uit Egypteland, in de vijfde maand, op den eersten der maand.

    39Aaron nu was honderd drie en twintig jaren oud, als hij stierf op den berg Hor.

  • Num 33:47-49
    3 verzen
    79%

    47En zij verreisden van Almon-Diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.

    48En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.

    49En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimoth, tot aan Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabieten.

  • Num 33:22-27
    6 verzen
    76%

    22En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha.

    23En zij verreisden van Kehelatha, en legerden zich in het gebergte van Safer.

    24En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in Harada.

    25En zij verreisden van Harada, en legerden zich in Makheloth.

    26En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich in Tachath.

    27En zij verreisden van Tachath, en legerden zich in Tharah.

  • Num 21:12-13
    2 verzen
    75%

    12Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.

    13Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.

  • 27Mozes nu deed, gelijk als de HEERE geboden had; want zij klommen op tot den berg Hor, voor de ogen der ganse vergadering.

  • 4Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomieten heentogen; doch de ziel des volks werd verdrietig op dezen weg.

  • Num 33:10-11
    2 verzen
    74%

    10En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelfzee.

    11En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin.

  • Num 33:6-8
    3 verzen
    74%

    6En zij verreisden van Sukkoth, en legerden zich in Etham, hetwelk aan het einde der woestijn is.

    7En zij verreisden van Etham, en keerden weder naar Pi-hachiroth, dat tegenover Baal-Sefon is, en zij legerden zich voor Migdol.

    8En zij verreisden van Hachiroth, en gingen over, door het midden van de zee, naar de woestijn, en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham, en legerden zich in Mara.

  • 18Daarna wandelde hij in de woestijn, en toog om het land der Edomieten en het land der Moabieten, en kwam van den opgang der zon aan het land der Moabieten, en zij legerden zich op gene zijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen de landpale der Moabieten; want de Arnon is de landpale der Moabieten.

  • 35Van Kibroth Thaava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.

  • 2Elf dag reizen zijn het van Horeb, door den weg van het gebergte Seir, tot aan Kades-Barnea.

  • 7Voorts zal u de landpale van het noorden deze zijn: van de grote zee af zult gij u den berg Hor aftekenen.

  • 19Toen vertogen wij van Horeb, en doorwandelden die gans grote en vreselijke woestijn, die gij gezien hebt, op den weg van het gebergte der Amorieten, gelijk de HEERE, onze God, ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-Barnea.

  • 2Want zij togen uit Rafidim, en kwamen in de woestijn Sinai, en zij legerden zich in de woestijn; Israel nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.

  • 25Neem Aaron, en Eleazar, zijn zoon, en doe hen opklimmen tot den berg Hor.

  • 16Maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn van Paran.

  • 1Dit zijn de reizen der kinderen Israels, die uit Egypteland uitgetogen zijn, naar hun heiren, door de hand van Mozes en Aaron.