Numeri 7:87
Al de runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitenbokken ten zondoffer.
Al de runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitenbokken ten zondoffer.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
88En al de runderen ten dankoffer waren vier en twintig varren, de rammen zestig, de bokken zestig, de eenjarige lammeren zestig. Dit is de inwijding des altaars, nadat hetzelve gezalfd was.
57Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
58Een geitenbok, ten zondoffer;
81Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
82Een geitenbok, ten zondoffer;
83En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Ahira, den zoon van Enan.
27Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
28Een geitenbok, ten zondoffer;
39Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
40Een geitenbok, ten zondoffer;
15Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
16Een geitenbok, ten zondoffer;
21Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
22Een geitenbok, ten zondoffer;
75Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
76Een geitenbok, ten zondoffer;
77En ten dankoffer: twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf eenjarige lammeren. Dit was de offerande van Pagiel, den zoon van Ochran.
16En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.
17Daarna op den tweeden dag: twaalf jonge varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
18En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
19En een geitenbok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hun drankofferen.
20En op den dertienden dag: elf varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
32En op den zevenden dag: zeven varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
33En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar hun wijze;
51Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
52Een geitenbok, ten zondoffer;
33Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
34Een geitenbok, ten zondoffer;
45Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
46Een geitenbok, ten zondoffer;
69Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
70Een geitenbok, ten zondoffer;
35En de weggevoerden, die uit de gevangenis gekomen waren, offerden den God Israels brandofferen; twaalf varren voor gans Israel, zes en negentig rammen, zeven en zeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles ten brandoffer den HEERE.
63Een var, een jong rund, een ram, een lam, dat eenjarig was, ten brandoffer;
64Een geitenbok, ten zondoffer;
17En zij offerden, ter inwijding van dit huis Gods, honderd runderen, tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren en twaalf geitenbokken, ten zondoffer voor gans Israel, naar het getal der stammen Israels.
21En zij brachten zeven varren, en zeven rammen, en zeven lammeren, en zeven geitenbokken ten zondoffer voor het koninkrijk, en voor het heiligdom, en voor Juda; en hij zeide tot de zonen van Aaron, de priesteren, dat zij die op het altaar des HEEREN zouden offeren.
13En gij zult een brandoffer ten vuuroffer offeren, ten liefelijken reuk den HEERE: dertien jonge varren, twee rammen, veertien eenjarige lammeren; zij zullen volkomen zijn;
23Verder op den vierden dag: tien varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
24Hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
29Daarna op den zesden dag: acht varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;
30En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
11Een geitenbok ten zondoffer, behalve het zondoffer der verzoeningen, en het gedurig brandoffer; en zijn spijsoffer, met hun drankofferen.
25Zeven dagen zult gij dagelijks een bok des zondoffers bereiden; ook zullen zij een var, een jong rund, en een ram van de kudde, beide volkomen bereiden.
19Maar gij zult een vuuroffer ten brandoffer den HEERE offeren: twee jonge varren, en een ram, daartoe zeven eenjarige lammeren; volkomen zullen zij u zijn.
37Hun spijsoffer, en hun drankofferen tot den var, tot den ram, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
27En hun spijsoffer, en hun drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;
18Gij zult ook met het brood zeven volkomen eenjarige lammeren, en een var, het jong van een rund, en twee rammen offeren; zij zullen den HEERE een brandoffer zijn, met hun spijsoffer en hun drankofferen, een vuuroffer, tot een liefelijken reuk den HEERE.
2Dan zult gij een brandoffer, ten liefelijken reuk, den HEERE bereiden: een jongen var, een ram, zeven volkomen eenjarige lammeren;
27Dan zult gij den HEERE een brandoffer ten liefelijken reuk offeren: twee jonge varren, een ram, zeven eenjarige lammeren;