Psalmen 106:14

Statenvertaling (States Bible)

Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • 1 Kor 10:9 : 9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slagen vernield.
  • 1 Kor 10:6 : 6 En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.
  • Ex 17:2 : 2 Toen twistte het volk met Mozes, en zeide: Geeft gijlieden ons water, dat wij drinken! Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den HEERE?
  • Num 11:4 : 4 En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israels wederom, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?
  • Num 11:33-34 : 33 Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag. 34 Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.
  • Num 14:22 : 22 Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest;
  • Deut 9:22 : 22 Ook vertoorndet gij den HEERE zeer te Thab-era en te Massa, en te Kibroth-Thaava.
  • Ps 78:18-20 : 18 En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust. 19 En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn? 20 Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?
  • Ps 78:30 : 30 Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,
  • Ps 78:40-41 : 40 Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis! 41 Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk.
  • Ps 95:8-9 : 8 Verhardt uw hart niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn; 9 Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.
  • Heb 3:8-9 : 8 Zo verhardt uw harten niet, gelijk het geschied is in de verbittering, ten dage der verzoeking, in de woestijn; 9 Alwaar Mij uw vaders verzocht hebben; zij hebben Mij beproefd, en hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang. 10 Daarom was Ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 78:17-19
    3 verzen
    82%

    17Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.

    18En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.

    19En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?

  • Ps 78:40-41
    2 verzen
    80%

    40Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!

    41Want zij kwamen alweder, en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk.

  • Ps 106:15-16
    2 verzen
    78%

    15Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid.

    16En zij benijdden Mozes in het leger, en Aaron, den heilige des HEEREN.

  • 56Maar zij verzochten en verbitterden God, den Allerhoogste, en onderhielden Zijn getuigenissen niet.

  • Ps 78:29-32
    4 verzen
    77%

    29Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.

    30Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,

    31Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.

    32Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet, door Zijn wonderen.

  • Ps 106:24-26
    3 verzen
    76%

    24Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.

    25Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet.

    26Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;

  • 1 Kor 10:5-6
    2 verzen
    76%

    5Maar in het meerder deel van hen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn ter nedergeslagen.

    6En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.

  • 13Doch zij vergaten haast Zijn werken, zij verbeidden naar Zijn raad niet.

  • 22Want al de mannen, die gezien hebben Mijn heerlijkheid, en Mijn tekenen, die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en Mij nu tienmaal verzocht hebben, en Mijner stem niet zijn gehoorzaam geweest;

  • 16Gij zult den HEERE, uw God, niet verzoeken, gelijk als gij Hem verzocht hebt te Massa.

  • Heb 3:8-9
    2 verzen
    74%

    8Zo verhardt uw harten niet, gelijk het geschied is in de verbittering, ten dage der verzoeking, in de woestijn;

    9Alwaar Mij uw vaders verzocht hebben; zij hebben Mij beproefd, en hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang.

  • 29En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.

  • 5Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.

  • Ps 106:32-33
    2 verzen
    73%

    32Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil.

    33Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.

  • 22Ook vertoorndet gij den HEERE zeer te Thab-era en te Massa, en te Kibroth-Thaava.

  • 17Over welke nu is Hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen, die gezondigd hadden, welker lichamen gevallen zijn in de woestijn?

  • 9Waar Mij uw vaders verzochten, Mij beproefden, ook Mijn werk zagen.

  • 9En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slagen vernield.

  • 34Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.

  • Ex 16:2-3
    2 verzen
    71%

    2En de ganse vergadering der kinderen Israels murmureerde tegen Mozes en tegen Aaron, in de woestijn.

    3En de kinderen Israels zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des HEEREN, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze ganse gemeente door den honger te doden.

  • 18Zelfs, als zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden, en gezegd: Dit is uw God, Die u uit Egypte heeft opgevoerd; en grote lasteren gedaan hadden;

  • 14Naardien gijlieden Mijn mond wederspannig zijt geweest in de woestijn Zin, in de twisting der vergadering, om Mij aan de wateren voor hun ogen te heiligen. Dat zijn de wateren van Meriba, van Kades, in de woestijn Zin.

  • 5En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.

  • 18En heeft omtrent den tijd van veertig jaren hun zeden verdragen in de woestijn.

  • 16Zij hebben Hem tot ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt.

  • Deut 9:7-8
    2 verzen
    71%

    7Gedenk, vergeet niet, dat gij den HEERE, uw God, in de woestijn, zeer vertoornd hebt; van dien dag af, dat gij uit Egypteland uitgegaan zijt, totdat gij kwaamt aan deze plaats, zijt gijlieden wederspannig geweest tegen den HEERE.

    8Want aan Horeb vertoorndet gij den HEERE zeer, dat Hij Zich tegen u vertoornde, om u te verdelgen.

  • 19Zij maakten een kalf bij Horeb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld.

  • 4En het gemene volk, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom zo weenden ook de kinderen Israels wederom, en zeiden: Wie zal ons vlees te eten geven?

  • 43Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.

  • 16Omdat de HEERE dit volk niet kon brengen in dat land, hetwelk Hij hun gezworen had, zo heeft Hij hen geslacht in de woestijn!

  • 16Die u in de woestijn spijsde met Man, dat uw vaderen niet gekend hadden; om u te verootmoedigen, en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldeed;

  • 7Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op Uw wonderen; zij zijn der menigte Uwer goedertierenheid niet gedachtig geweest; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.

  • 39En zij ontreinigden zich door hun werken, en zij hebben gehoereerd door hun daden.

  • 26Doch gij wildet niet optrekken; maar gij waart den mond des HEEREN uws Gods, wederspannig.

  • 6En zeiden niet: Waar is de HEERE, Die ons opvoerde uit Egypteland, Die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduw des doods, in een land, waar niemand doorging, en waar geen mens woonde?

  • 15En Gij hebt hun brood uit den hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en Gij hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover Gij Uw hand ophieft, dat Gij het hun zoudt geven.