Psalmen 106:15

Statenvertaling (States Bible)

Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Jes 10:16 : 16 Daarom zal de Heere HEERE der heirscharen onder zijn vetten een magerheid zenden; en onder zijn heerlijkheid zal Hij een brand doen branden, als den brand des vuurs.
  • Jes 24:16 : 16 Van het uiterste einde der aarde horen wij psalmen, tot verheerlijking des Rechtvaardigen. Doch nu zeg ik: Ik word mager, ik word mager, wee mij! de trouwelozen handelen trouwelooslijk, en met trouweloosheid handelen de trouwelozen trouwelooslijk.
  • Num 11:31-34 : 31 Toen voer een wind uit van den HEERE, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize, en omtrent een dagreize derwaarts, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde. 32 Toen maakte zich het volk op, dien gehelen dag, en dien gansen nacht, en den gansen anderen dag, en verzamelden de kwakkelen; die het minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkander rondom het leger. 33 Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag. 34 Daarom heet men den naam derzelver plaats Kibroth Thaava; want daar begroeven zij het volk, dat belust was geweest.
  • Ps 78:29-31 : 29 Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht. 30 Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond, 31 Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 14Maar zij werden belust met lust in de woestijn, en zij verzochten God in de wildernis.

  • Ps 78:28-31
    4 verzen
    77%

    28En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen.

    29Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.

    30Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,

    31Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.

  • Ps 78:17-19
    3 verzen
    74%

    17Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.

    18En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.

    19En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?

  • Ps 107:5-6
    2 verzen
    74%

    5Zij waren hongerig, ook dorstig; hun ziel was in hen overstelpt.

    6Doch roepende tot den HEERE in de benauwdheid, die zij hadden, heeft Hij hen gered uit hun angsten;

  • 16En zij benijdden Mozes in het leger, en Aaron, den heilige des HEEREN.

  • Neh 9:15-16
    2 verzen
    70%

    15En Gij hebt hun brood uit den hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en Gij hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover Gij Uw hand ophieft, dat Gij het hun zoudt geven.

    16Maar zij en onze vaders hebben trotselijk gehandeld, en zij hebben hun nek verhard, en niet gehoord naar Uw geboden;

  • 40Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.

  • 18Hun ziel gruwelde van alle spijze, en zij waren tot aan de poorten des doods gekomen.

  • 5En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden in de woestijn? Want hier is geen brood, ook geen water, en onze ziel walgt over dit zeer lichte brood.

  • Ps 106:24-27
    4 verzen
    68%

    24Zij versmaadden ook het gewenste land; zij geloofden Zijn woord niet.

    25Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet.

    26Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;

    27En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen.

  • 12Maar Mijn volk heeft Mijn stem niet gehoord; en Israel heeft Mijner niet gewild.

  • 50Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.

  • Neh 9:20-21
    2 verzen
    68%

    20En Gij hebt Uw goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen; en Uw Manna hebt Gij niet geweerd van hun mond, en water hebt Gij hun gegeven voor hun dorst.

    21Alzo hebt Gij hen veertig jaren onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehad; hun klederen zijn niet veroud, en hun voeten niet gezwollen.

  • 9Want Hij heeft de dorstige ziel verzadigd, en de hongerige ziel met goed vervuld;

  • 40Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!

  • 29En zij hebben den HEERE tot toorn verwekt met hun daden, zodat de plaag een inbreuk onder hen deed.

  • 3Die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste.

  • 65Thau. Geef hun een deksel des harten; Uw vloek zij over hen!

  • 3En de kinderen Israels zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des HEEREN, toen wij bij de vleespotten zaten, toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgeleid in deze woestijn, om deze ganse gemeente door den honger te doden.

  • 41En Hij gaf hen in de hand der heidenen, en hun haters heersten over hen.

  • Ps 106:43-44
    2 verzen
    67%

    43Hij heeft hen menigmaal gered; maar zij verbitterden Hem door hun raad, en werden uitgeteerd door hun ongerechtigheid.

    44Nochtans zag Hij hun benauwdheid aan, als Hij hun geschrei hoorde.

  • 33Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.

  • 33Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag.

  • 6Daarna zijn zij, naardat hunlieder weide was, zat geworden; als zij zat zijn geworden, heeft zich hun hart verheven; daarom hebben zij Mij vergeten.

  • Ps 106:32-33
    2 verzen
    66%

    32Zij maakten Hem ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnentwil.

    33Want zij verbitterden zijn geest, zodat hij wat onbedachtelijk voortbracht met zijn lippen.

  • 39Daarna verminderen zij, en komen ten onder, door verdrukking, kwaad en droefenis.

  • 19Om hun ziel van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.

  • 32Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.

  • 35Die al het kruid in hun land opaten, ja, aten de vrucht hunner landbouwe op.

  • 66%

    15Als nu Jeschurun vet werd, zo sloeg hij achteruit (gij zijt vet, gij zijt dik, ja, met vet overdekt geworden!); en hij liet God varen, Die hem gemaakt heeft, en versmaadde den Rotssteen zijns heils.

    16Zij hebben Hem tot ijver verwekt door vreemde goden; door gruwelen hebben zij Hem tot toorn verwekt.

  • 16Die u in de woestijn spijsde met Man, dat uw vaderen niet gekend hadden; om u te verootmoedigen, en om u te verzoeken, opdat Hij u ten laatste weldeed;

  • Ps 105:28-29
    2 verzen
    65%

    28Hij zond duisternis, en maakte het duister; en zij waren Zijn woord niet wederspannig.

    29Hij keerde hun wateren in bloed, en Hij doodde hun vissen.

  • 46En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.

  • 25Hij keerde hun hart om, dat zij Zijn volk haatten, dat zij met Zijn knechten listiglijk handelden.