Psalmen 78:28

Statenvertaling (States Bible)

En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 78:23-27
    5 verzen
    85%

    23Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;

    24En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.

    25Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.

    26Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;

    27En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeen;

  • Ps 78:29-31
    3 verzen
    81%

    29Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.

    30Zij waren nog niet vervreemd van hun lust; hun spijs was nog in hun mond,

    31Als Gods toorn tegen hen opging, dat Hij van hun vetsten doodde, en de uitgelezenen van Israel nedervelde.

  • Num 11:31-33
    3 verzen
    75%

    31Toen voer een wind uit van den HEERE, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize, en omtrent een dagreize derwaarts, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde.

    32Toen maakte zich het volk op, dien gehelen dag, en dien gansen nacht, en den gansen anderen dag, en verzamelden de kwakkelen; die het minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkander rondom het leger.

    33Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag.

  • Ps 78:48-50
    3 verzen
    75%

    48Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.

    49Hij zond onder hen de hittigheid Zijns toorns, verbolgenheid, en verstoordheid, en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.

    50Hij woog een pad voor Zijn toorn; Hij onttrok hun ziel niet van den dood; en hun gedierte gaf Hij aan de pestilentie over.

  • 32Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.

  • Ps 105:39-40
    2 verzen
    74%

    39Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.

    40Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.

  • Ps 78:14-20
    7 verzen
    74%

    14En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.

    15Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.

    16Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.

    17Nog voeren zij wijders voort tegen Hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis.

    18En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.

    19En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zou God een tafel kunnen toerichten in de woestijn?

    20Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?

  • 9En wanneer de dauw des nachts op het leger nederviel, viel het Man op hetzelve neder.

  • 13En het geschiedde aan den avond, dat er kwakkelen opkwamen, en het leger bedekten; en aan den morgen lag de dauw rondom het leger.

  • 55En Hij verdreef voor hun aangezicht de heidenen, en deed hen vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israels in hun tenten wonen.

  • Ps 106:26-27
    2 verzen
    71%

    26Dies hief Hij tegen hen Zijn hand op, zwerende dat Hij hen nedervellen zou in de woestijn;

    27En dat Hij hun zaad zou nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zou door de landen.

  • 15En Gij hebt hun brood uit den hemel gegeven voor hun honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hun dorst; en Gij hebt tot hen gezegd, dat zij zouden ingaan om te erven het land, waarover Gij Uw hand ophieft, dat Gij het hun zoudt geven.

  • 15En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en verschrikte ze.

  • Ps 69:24-25
    2 verzen
    70%

    24Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.

    25Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.

  • 22Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen der zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij?

  • Ps 78:45-46
    2 verzen
    69%

    45Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.

    46En Hij gaf hun gewas den kruidworm, en hun arbeid den sprinkhaan.

  • 18En tot het volk zult gij zeggen: Heiligt u tegen morgen, en gij zult vlees eten; want gij hebt voor de oren des HEEREN geweend, zeggende: Wie zal ons vlees te eten geven? want het ging ons wel in Egypte! Daarom zal de HEERE u vlees geven, en gij zult eten.

  • 28Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.

  • 14En de HEERE donderde in den hemel, en de Allerhoogste gaf Zijn stem, hagel en vurige kolen.

  • 20En Gij hebt Uw goeden Geest gegeven om hen te onderwijzen; en Uw Manna hebt Gij niet geweerd van hun mond, en water hebt Gij hun gegeven voor hun dorst.

  • Ps 78:39-40
    2 verzen
    69%

    39En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.

    40Hoe dikwijls verbitterden zij Hem in de woestijn, deden Hem smart aan in de wildernis!

  • 15Toen gaf Hij hun hun begeerte; maar Hij zond aan hun zielen een magerheid.

  • 31Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.

  • 8De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.

  • 28Geeft Gij ze hun, zij vergaderen ze; doet Gij Uw hand open, zij worden met goed verzadigd.

  • 52En Hij voerde Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.

  • 8De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt.