Psalmen 78:27

Statenvertaling (States Bible)

En regende op hen vlees als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeen;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ex 16:12-13 : 12 Ik heb de murmureringen der kinderen Israels gehoord; spreek tot hen, zeggende: Tussen twee avonden zult gij vlees eten, en aan den morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE uw God ben. 13 En het geschiedde aan den avond, dat er kwakkelen opkwamen, en het leger bedekten; en aan den morgen lag de dauw rondom het leger.
  • Num 11:18-19 : 18 En tot het volk zult gij zeggen: Heiligt u tegen morgen, en gij zult vlees eten; want gij hebt voor de oren des HEEREN geweend, zeggende: Wie zal ons vlees te eten geven? want het ging ons wel in Egypte! Daarom zal de HEERE u vlees geven, en gij zult eten. 19 Gij zult niet een dag, noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen;
  • Num 11:32 : 32 Toen maakte zich het volk op, dien gehelen dag, en dien gansen nacht, en den gansen anderen dag, en verzamelden de kwakkelen; die het minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkander rondom het leger.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 78:28-29
    2 verzen
    85%

    28En deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijn woningen.

    29Toen aten zij, en werden zeer zat; zodat Hij hun hun lust toebracht.

  • Ps 78:23-26
    4 verzen
    78%

    23Daar Hij den wolken van boven gebood, en de deuren des hemels opende;

    24En regende op hen het Man om te eten, en gaf hun hemels koren.

    25Een iegelijk at het brood der Machtigen; Hij zond hun teerkost tot verzadiging.

    26Hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door Zijn sterkte;

  • Ps 105:39-41
    3 verzen
    76%

    39Hij breidde een wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.

    40Zij baden, en Hij deed kwakkelen komen, en Hij verzadigde hen met hemels brood.

    41Hij opende een steenrots, en er vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen als een rivier.

  • Num 11:31-33
    3 verzen
    76%

    31Toen voer een wind uit van den HEERE, en raapte kwakkelen van de zee, en strooide ze bij het leger, omtrent een dagreize, en omtrent een dagreize derwaarts, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde.

    32Toen maakte zich het volk op, dien gehelen dag, en dien gansen nacht, en den gansen anderen dag, en verzamelden de kwakkelen; die het minst had, had tien homers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkander rondom het leger.

    33Dat vlees was nog tussen hun tanden, eer het gekauwd was, zo ontstak de toorn des HEEREN tegen het volk, en de HEERE sloeg het volk met een zeer grote plaag.

  • Ex 16:12-14
    3 verzen
    73%

    12Ik heb de murmureringen der kinderen Israels gehoord; spreek tot hen, zeggende: Tussen twee avonden zult gij vlees eten, en aan den morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten, dat Ik de HEERE uw God ben.

    13En het geschiedde aan den avond, dat er kwakkelen opkwamen, en het leger bedekten; en aan den morgen lag de dauw rondom het leger.

    14Als nu de liggende dauw opgevaren was, zo ziet, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde.

  • Ps 105:31-32
    2 verzen
    72%

    31Hij sprak, en er kwam een vermenging van ongedierte, luizen, in hun ganse landpale.

    32Hij maakte hun regen tot hagel, vlammig vuur in hun land.

  • 39En Hij dacht, dat zij vlees waren, een wind, die henengaat en niet wederkeert.

  • 20Ziet, Hij heeft den rotssteen geslagen, dat er wateren uitvloeiden, en beken overvloediglijk uitbraken, zou Hij ook brood kunnen geven? Zou Hij Zijn volke vlees toebereiden?

  • 48Ook gaf Hij hun vee den hagel over, en hun beesten aan de vurige kolen.

  • 18En tot het volk zult gij zeggen: Heiligt u tegen morgen, en gij zult vlees eten; want gij hebt voor de oren des HEEREN geweend, zeggende: Wie zal ons vlees te eten geven? want het ging ons wel in Egypte! Daarom zal de HEERE u vlees geven, en gij zult eten.

  • 22Zullen dan voor hen schapen en runderen geslacht worden, dat voor hen genoeg zij? zullen al de vissen der zee voor hen verzameld worden, dat voor hen genoeg zij?

  • Ps 78:13-16
    4 verzen
    69%

    13Hij kliefde de zee, en deed er hen doorgaan; en de wateren deed Hij staan als een hoop.

    14En Hij leidde hen des daags met een wolk, en den gansen nacht met een licht des vuurs.

    15Hij kliefde de rotsstenen in de woestijn, en drenkte hen overvloedig, als uit afgronden.

    16Want Hij bracht stromen voort uit de steenrots, en deed de wateren afdalen als rivieren.

  • 69%

    8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.

  • 9Die het vee zijn voeder geeft; aan de jonge raven, als zij roepen.

  • 20En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels!

  • 2Zij hebben de dode lichamen Uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijs gegeven; het vlees Uwer gunstgenoten aan het gedierte des lands.

  • 31Want daardoor richt Hij de volken; Hij geeft spijze ten overvloede.

  • 9En wanneer de dauw des nachts op het leger nederviel, viel het Man op hetzelve neder.

  • 18En zij verzochten God in hun hart, begerende spijs naar hun lust.

  • 11En Hij voer op een cherub, en vloog, en werd gezien op de vleugelen des winds.

  • 45Hij zond een vermenging van ongedierte onder hen, dat hen verteerde, en vorsen, die hen verdierven.

  • 6En de raven brachten hem des morgens brood en vlees, desgelijks brood en vlees des avonds; en hij dronk uit de beek.

  • 25En er geschiedde een stem van boven het uitspansel, hetwelk boven hun hoofden was, als zij stonden, en hun vleugelen nedergelaten hadden.

  • 26En uw dood lichaam zal aan alle gevogelte des hemels, en aan de beesten der aarde tot spijze zijn; en niemand zal ze afschrikken.

  • 10En Hij boog den hemel, en daalde neder, en donkerheid was onder Zijn voeten.

  • 17De wateren zagen U, o God! de wateren zagen U, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.

  • 7Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen; Hij brengt den wind uit Zijn schatkameren voort.

  • 10Gij hebt met Uw wind geblazen; de zee heeft hen gedekt, zij zonken onder als lood in geweldige wateren!

  • 8Vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind, die Zijn woord doet!

  • 18Hij zendt Zijn woord, en doet ze smelten; Hij doet Zijn wind waaien, de wateren vloeien henen.

  • 15En Hij zond pijlen uit en verstrooide ze; bliksemen en verschrikte ze.

  • 28Welke de wolken uitgieten, en over den mens overvloediglijk afdruipen.

  • 3Die Zijn opperzalen zoldert in de wateren, Die van de wolken Zijn wagen maakt, Die op de vleugelen des winds wandelt.

  • 25Als Hij spreekt, zo doet Hij een stormwind opstaan, die haar golven omhoog verheft.

  • 10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!