Psalmen 109:11

Statenvertaling (States Bible)

Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 5:5 : 5 Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.
  • Job 18:9-9 : 9 De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen. 10 Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad. 11 De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten. 12 Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde. 13 De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijn grendelen zal hij verteren. 14 Zijn vertrouwen zal uit zijn tent uitgerukt worden; zulks zal hem doen treden tot den koning der verschrikkingen. 15 Zij zal wonen in zijn tent, waar zij de zijne niet is; zijn woning zal met zwavel overstrooid worden. 16 Van onder zullen zijn wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden. 17 Zijn gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geen naam hebben op de straten. 18 Men zal hem stoten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen. 19 Hij zal geen zoon, noch neef hebben onder zijn volk; en niemand zal in zijn woningen overig zijn.
  • Job 20:18 : 18 Den arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijner verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen.
  • Deut 28:29 : 29 Dat gij op den middag zult omtasten, gelijk als een blinde omtast in het donkere, en uw wegen niet zult voorspoedig maken; maar gij zult alleenlijk verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en er zal geen verlosser zijn.
  • Deut 28:33-34 : 33 De vrucht van uw land en al uw arbeid zal een volk eten, dat gij niet gekend hebt; en gij zult alle dagen alleenlijk verdrukt en gepletterd zijn. 34 En gij zult onzinnig zijn, vanwege het gezicht uwer ogen, dat gij zien zult.
  • Deut 28:50-51 : 50 Een volk, stijf van aangezicht, dat het aangezicht des ouden niet zal aannemen, noch den jonge genadig zijn. 51 En het zal de vrucht uwer beesten, en de vrucht uws lands opeten, totdat gij verdelgd zult zijn; hetwelk u geen koren, most noch olie, voortzetting uwer koeien noch kudden van uw klein vee zal overig laten, totdat Hij u verdoe.
  • Richt 6:3-6 : 3 Want het geschiedde, als Israel gezaaid had, zo kwamen de Midianieten op, en de Amalekieten, en die van het oosten kwamen ook op tegen hen. 4 En zij legerden zich tegen hen, en verdierven de opkomst des lands, tot daar gij komt te Gaza; en zij lieten geen leeftocht overig in Israel, noch klein vee, noch os, noch ezel. 5 Want zij kwamen op met hun vee en hun tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hun kemelen niet tellen kon; en zij kwamen in het land, om dat te verderven. 6 Alzo werd Israel zeer verarmd, vanwege de Midianieten. Toen riepen de kinderen Israels tot den HEERE.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 109:7-10
    4 verzen
    86%

    7Als hij gericht wordt, zo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.

    8Dat zijn dagen weinig zijn; een ander neme zijn ambt;

    9Dat zijn kinderen wezen worden, en zijn vrouw weduwe.

    10En dat zijn kinderen hier en daar omzwerven, en bedelen, en de nooddruft uit hun verwoeste plaatsen zoeken.

  • Ps 109:12-13
    2 verzen
    80%

    12Dat hij niemand hebbe, die weldadigheid over hem uitstrekke, en dat er niemand zij, die zijn wezen genadig zij.

    13Dat zijn nakomelingen uitgeroeid worden; hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.

  • 10Opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet kome in het huis des onbekenden;

  • 8De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.

  • 5Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.

  • 41Gij hebt al zijn muren doorgebroken; Gij hebt zijn vestingen nedergeworpen.

  • Job 20:18-19
    2 verzen
    74%

    18Den arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijner verandering, zo zal hij van vreugde niet opspringen.

    19Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft, dat hij niet opgebouwd had;

  • Ps 109:15-17
    3 verzen
    74%

    15Dat zij gedurig voor den HEERE zijn; en Hij roeie hun gedachtenis uit van de aarde.

    16Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruftigen man vervolgd, en den verslagene van hart, om hem te doden.

    17Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat die hem overkome, en geen lust gehad heeft tot den zegen, zo zij die verre van hem.

  • 23Want de HEERE zal hun twistzaak twisten, en Hij zal dengenen, die hen beroven, de ziel roven.

  • 2Om de armen van het recht af te wenden, en om het recht der ellendigen Mijns volks te roven, opdat de weduwen hun buit worden, en opdat zij de wezen mogen plunderen!

  • Ps 69:24-25
    2 verzen
    73%

    24Laat hun ogen duister worden, dat zij niet zien; en doe hun lenden gedurig waggelen.

    25Stort over hen Uw gramschap uit; en de hittigheid Uws toorns grijpe hen aan.

  • 8Zo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijn spruiten moeten uitgeworteld worden!

  • 10Zijn kinderen zullen zoeken den armen te behagen; en zijn handen zullen zijn vermogen moeten weder uitkeren.

  • 7De verwoesting der goddelozen zal hen doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.

  • 22Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.

  • Ps 109:19-20
    2 verzen
    72%

    19Die zij hem als een kleed, waarmede hij zich bedekt, en tot een gordel, waarmede hij zich steeds omgordt.

    20Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den HEERE, en dergenen, die kwaad spreken tegen mijn ziel.

  • 4Geef hun naar hun doen, en naar de boosheid hunner handelingen; geef hun naar hunner handen werk; doe hun vergelding tot hen wederkeren.

  • Job 27:13-14
    2 verzen
    72%

    13Dit is het deel des goddelozen mensen bij God, en de erve der tirannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen.

    14Indien zijn kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijn spruiten zullen van brood niet verzadigd worden.

  • 9Wee dien, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand des kwaads.

  • 6De weduwe en den vreemdeling doden zij, en zij vermoorden de wezen.

  • 2En zij begeren akkers, en roven ze, en huizen, en nemen ze weg; alzo doen zij geweld aan den man en zijn huis, ja, aan een iegelijk en zijn erfenis.

  • 19Zo zijn de paden van een iegelijk, die gierigheid pleegt; zij zal de ziel van haar meester vangen.

  • 9De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen.

  • 19Vervloekt zij, die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt! En al het volk zal zeggen: Amen.

  • 9Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net.

  • 13Alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen.

  • 2De goddeloze vervolgt hittiglijk in hoogmoed de ellendige; laat hen gegrepen worden in de aanslagen, die zij bedacht hebben.

  • 21Daarom, geef hun zonen den honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld des zwaards, en laat hun vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hun mannen door den dood omgebracht, en hun jongelingen met het zwaard geslagen worden in den strijd.

  • 15Loer niet, o goddeloze! op de woning des rechtvaardigen; verwoest zijn legerplaats niet.

  • 27Want zij vervolgen, dien Gij geslagen hebt; en maken een praat van de smart Uwer verwonden.

  • 9Zij rukken het weesje van de borst, en dat over den arme is, nemen zij te pand.

  • 71%

    9Die Zich verkwikt door verwoesting over een sterke; zodat de verwoesting komt over een vesting.

  • 11Vurige kolen moeten op hen geschud worden; Hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.

  • 14Ten tijde des avonds, ziet, zo is er verschrikking, eer het morgen is, is hij er niet meer. Dit is het deel dergenen, die ons beroven, en het lot dergenen, die ons plunderen.

  • Job 20:21-22
    2 verzen
    71%

    21Er zal niets overig zijn, dat hij ete; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed.

    22Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.

  • 15Breek den arm des goddelozen en bozen. zoek zijn goddeloosheid, totdat Gij haar niet vindt.

  • 4Laat mijn verdrevenen onder u verkeren, o Moab! wees gij hun een schuilplaats voor het aangezicht des verstoorders; want de onderdrukker heeft een einde, de verstoring is te niet geworden, de vertreders zijn van de aarde verdaan.

  • 10Resch. De goddeloze zal het zien, en hij zal zich vertoornen; Schin. hij zal met zijn tanden knersen en smelten. Thau. de wens der goddelozen zal vergaan.

  • 28De inkomste van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal al henenvloeien in den dag Zijns toorns.