Job 18:9

Statenvertaling (States Bible)

De strik zal hem bij de verzenen vatten; de struikrover zal hem overweldigen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 1:15 : 15 Doch de Sabeers deden een inval, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
  • Job 1:17 : 17 Als deze nog sprak, zo kwam een ander, en zeide: De Chaldeen stelden drie hopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze, en sloegen de jongeren met de scherpte des zwaards; en ik ben maar alleen ontkomen, om het u aan te zeggen.
  • Job 5:5 : 5 Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.
  • Jes 8:14-15 : 14 Dan zal Hij ulieden tot een Heiligdom zijn; maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen der struikeling den twee huizen van Israel, tot een strik en tot een net den inwoners te Jeruzalem. 15 En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Job 18:10-12
    3 verzen
    88%

    10Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad.

    11De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijn voeten.

    12Zijn macht zal hongerig wezen, en het verderf is bereid aan zijn zijde.

  • Job 18:7-8
    2 verzen
    87%

    7De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.

    8Want met zijn voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen.

  • Ps 10:8-10
    3 verzen
    77%

    8Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgene plaatsen doodt hij den onschuldige; zijn ogen verbergen zich tegen den arme.

    9Hij legt lagen in een verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen, om den ellendige te roven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net.

    10Hij duikt neder, hij buigt zich; en de arme hoop valt in zijn sterke poten.

  • 75%

    5Zal een vogel in den strik op de aarde vallen, als er geen strik voor hem is? Zal men den strik van den aardbodem opnemen, als men ganselijk niet heeft gevangen?

  • 8De verwoesting overkome hem, dat hij het niet wete, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hemzelven; hij valle daarin met verwoesting.

  • 22Den goddeloze zullen zijn ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonden zal hij vastgehouden worden.

  • 15Opdat ik Uw gansen lof in de poorten der dochter van Sion vertelle, dat ik mij verheuge in Uw heil.

  • 8Wie een kuil graaft, zal daarin vallen; en wie een muur doorbreekt, een slang zal hem bijten.

  • 9Bewaar mij voor het geweld des striks, dien zij mij gelegd hebben, en voor de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.

  • 8Toen begaven zich de volken tegen hem rondom uit de landschappen, en zij spreidden hun net over hem uit; in hun groeve werd hij gegrepen.

  • 7Zullen niet onvoorziens opstaan, die u bijten zullen, en ontwaken, die u zullen bewegen, en zult gij hun niet tot plundering worden?

  • 5Wiens oogst de hongerige verteerde, dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struikrover slokte hun vermogen in.

  • 18De goddeloze is een rantsoen voor de rechtvaardigen, en de trouweloze voor de oprechten.

  • 15Ziet, hij is in arbeid van ongerechtigheid, en is zwanger van moeite, hij zal leugen baren.

  • 11Dat de schuldeiser aansla al wat hij heeft, en dat de vreemden zijn arbeid roven.

  • 13Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.

  • 6De gerechtigheid der vromen zal hen redden; maar de trouwelozen worden gevangen in hun verkeerdheid.

  • 16Het vergif der adderen zal hij zuigen; de tong der slang zal hem doden.

  • 24Angst en benauwdheid verschrikken hem; zij overweldigt hem, gelijk een koning, bereid ten strijde.

  • 10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.

  • 26Want de HEERE zal met uw hoop wezen, en Hij zal uw voet bewaren van gevangen te worden.

  • 24Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje, of zult gij hem binden voor uw jonge dochters? [ (Job 40:25) Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden? Zullen zij hem delen onder de kooplieden? ] [ (Job 40:26) Zult gij zijn huid met haken vullen, of met een visserskrauwel zijn hoofd? ] [ (Job 40:27) Leg uw hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer. ] [ (Job 40:28) Zie, zijn hoop zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nedergeslagen worden? ]

  • 10Die de oprechten doet dwalen op een kwaden weg, zal zelf in zijn gracht vallen; maar de vromen zullen het goede beerven.

  • 15En velen onder hen zullen struikelen, en vallen, en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.

  • 11Hij legt mijn voeten in den stok; Hij neemt al mijn paden waar.

  • 22Laat er een geschrei uit hun huizen gehoord worden, wanneer Gij haastelijk een bende over hen zult brengen; dewijl zij een kuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijn voeten.

  • 22En God zal dit over hem werpen, en niet sparen; van Zijn hand zal hij snellijk vlieden.

  • 22Ja, zij hebben mij gal tot mijn spijs gegeven; en in mijn dorst hebben zij mij edik te drinken gegeven.

  • 20Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.

  • Spr 1:17-18
    2 verzen
    70%

    17Zekerlijk, het net wordt tevergeefs gespreid voor de ogen van allerlei gevogelte;

    18En deze loeren op hun eigen bloed, en versteken zich tegen hun zielen.

  • 26Want onder Mijn volk worden goddelozen gevonden; een ieder van hen loert, gelijk zich de vogelvangers schikken; zij zetten een verderfelijken strik, zij vangen de mensen.

  • 21Het geluid der verschrikkingen is in zijn oren; in den vrede zelven komt de verwoester hem over.

  • 5Doornen en strikken, zijn in den weg des verkeerden; die zijn ziel bewaart, zal zich verre van die maken.

  • 23Totdat hem de pijl zijn lever doorsneed; gelijk een vogel zich haast naar den strik, en niet weet, dat dezelve tegen zijn leven is.

  • 5Bewaar mij, HEERE! van de handen des goddelozen; behoed mij van den man alles gewelds; van hen, die mijn voeten denken weg te stoten.

  • 22Als zijn genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bang zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.

  • 5Red u, als een ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.

  • 5Een man, die zijn naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.

  • 22Maar als een daarover komt, die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijn gehele wapenrusting, daar hij op vertrouwde, en deelt zijn roof uit.

  • 2Nochtans is Hij ook wijs, en Hij doet het kwaad komen, en trekt Zijn woorden niet terug; maar Hij zal Zich opmaken tegen het huis der boosdoeners, en tegen de hulp dergenen, die ongerechtigheid werken.

  • 13In de overtreding der lippen is de strik des bozen; maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.

  • 21Die een mens schuldig maken om een woord, en leggen dien strikken, die hen bestraft in de poort; en die den rechtvaardige verdrijven in het woeste.

  • 5Ik zal mijn oor neigen tot een spreuk; ik zal mijn verborgene rede openen op de harp.