Psalmen 118:20

Statenvertaling (States Bible)

Dit is de poort des HEEREN, door dewelke de rechtvaardigen zullen ingaan.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Opb 21:24-27 : 24 En de volken, die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de koningen der aarde brengen hun heerlijkheid en eer in dezelve. 25 En haar poorten zullen niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn. 26 En zij zullen de heerlijkheid en de eer der volken daarin brengen. 27 En in haar zal niet inkomen iets, dat ontreinigt, en gruwelijkheid doet, en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams.
  • Opb 22:14-15 : 14 Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad. 15 Maar buiten zullen zijn de honden, en de tovenaars, en de hoereerders, en de doodslagers, en de afgodendienaars, en een iegelijk, die de leugen liefheeft, en doet.
  • Ps 24:3-4 : 3 Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid? 4 Die rein van handen, en zuiver van hart is, die zijn ziel niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert;
  • Ps 24:7 : 7 Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!
  • Ps 24:9 : 9 Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!
  • Jes 26:2 : 2 Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart.
  • Jes 35:8-9 : 8 En aldaar zal een verheven baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden; de onreine zal er niet doorgaan, maar hij zal voor deze zijn; die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen. 9 Er zal geen leeuw zijn, en geen verscheurend gedierte zal daarop komen, noch aldaar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen. 10 En de vrijgekochten des HEEREN zullen wederkeren, en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vrolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen, maar droefenis en zuchting zullen wegvlieden.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 118:18-19
    2 verzen
    92%

    18De HEERE heeft mij wel hard gekastijd; maar Hij heeft mij ter dood niet overgegeven.

    19Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.

  • 2Doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daarin ga, hetwelk de getrouwigheden bewaart.

  • Ezech 44:1-2
    2 verzen
    79%

    1Toen deed hij mij wederkeren den weg naar de poort van het buitenste heiligdom, die naar het oosten zag; en die was toegesloten.

    2En de HEERE zeide tot mij: Deze poort zal toegesloten zijn, zij zal niet geopend worden, noch iemand door dezelve ingaan, omdat de HEERE, de God Israels, door dezelve is ingegaan; daarom zal zij toegesloten zijn.

  • Ps 24:7-9
    3 verzen
    76%

    7Heft uw hoofden op, gij poorten, en verheft u, gij eeuwige deuren, opdat de Koning der ere inga!

    8Wie is de Koning der ere? De HEERE, sterk en geweldig, de HEERE, geweldig in den strijd.

    9Heft uw hoofden op, gij poorten, ja, heft op, gij eeuwige deuren! opdat de Koning der ere inga!

  • Jer 17:19-20
    2 verzen
    76%

    19Alzo heeft de HEERE tot mij gezegd: Ga henen en sta in de poort van de kinderen des volks, door dewelke de koningen van Juda ingaan, en door dewelke zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem;

    20En zeg tot hen: Hoort des HEEREN woord, gij koningen van Juda, en gans Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat!

  • 4Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.

  • 1Toen leidde hij mij tot de poort, de poort, die den weg naar het oosten zag.

  • 21Ik zal U loven, omdat Gij mij verhoord hebt, en mij tot heil geweest zijt.

  • Ps 122:1-2
    2 verzen
    73%

    1Een lied Hammaaloth, van David. Ik verblijd mij in degenen, die tot mij zeggen: Wij zullen in het huis des HEEREN gaan.

    2Onze voeten zijn staande in uw poorten, o Jeruzalem!

  • 9Ik ben de Deur; indien iemand door Mij ingaat, die zal behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan, en weide vinden.

  • 2Sta in de poort van des HEEREN huis, en roep aldaar dit woord uit, en zeg: Hoort des HEEREN woord, o gans Juda! gij, die door deze poorten ingaat, om den HEERE aan te bidden.

  • 2Maar die door de deur ingaat, is een herder der schapen.

  • 19In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!

  • 13Gaat in door de enge poort; want wijd is de poort, en breed is de weg, die tot het verderf leidt, en velen zijn er, die door dezelve ingaan;

  • 2De HEERE bemint de poorten van Sion boven alle woningen van Jakob.

  • 32Daarna bracht hij mij tot het binnenste voorhof, den weg naar het oosten; en hij mat de poort, naar deze maten;

  • 15In de tenten der rechtvaardigen is een stem des gejuichs en des heils; de rechterhand des HEEREN doet krachtige daden.

  • Ps 118:23-24
    2 verzen
    71%

    23Dit is van den HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.

    24Dit is de dag, dien de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelven ons verheugen, en verblijd zijn.

  • 10De Naam des HEEREN is een Sterke Toren; de rechtvaardige zal daarhenen lopen, en in een Hoog Vertrek gesteld worden.

  • 8De HEERE zal uw uitgang en uw ingang bewaren, van nu aan tot in der eeuwigheid.

  • 70%

    7Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de HEERE een gruwel.

  • 24Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen, zeg Ik u, zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen;

  • 20Aangaande de poort nu, die den weg naar het noorden zag, aan het buitenste voorhof, hij mat derzelver lengte en derzelver breedte.

  • 26Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.

  • 19De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de goddelozen voor de poorten des rechtvaardigen.

  • 19En hij stelde de poortiers aan de poorten van het huis des HEEREN, opdat niemand, in enig ding onrein zijnde, inkwame.

  • 2Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!

  • 8En als de vorst ingaat, zal hij door den weg van het voorhuis der poort ingaan, en door deszelfs weg weder uitgaan.

  • 6En tot een Geest des oordeels dien, die ten oordeel zit, en tot een sterkte dengenen, die den strijd afkeren tot de poort toe.

  • 12En gelijk de deuren der kameren, die den weg naar het zuiden waren, was er een deur in het hoofd van den weg, den weg voor aan den rechten muur, den weg naar het oosten, als men daar ingaat.

  • 11Voorts mat hij de wijdte der deur van de poort, tien ellen; de lengte der poort, dertien ellen.

  • 16Want Hij heeft de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen.

  • 130De opening Uwer woorden geeft licht, de slechten verstandig makende.

  • 14Wees mij genadig, HEERE, zie mijn ellende aan, van mijn haters mij aangedaan, Gij, Die mij verhoogt uit de poorten des doods;

  • 13Want Hij maakt de grendelen uwer poorten sterk; Hij zegent uw kinderen binnen in u.

  • 10O God, ons Schild! zie, en aanschouw het aangezicht Uws gezalfden.

  • 14Zalig zijn zij, die Zijn geboden doen, opdat hun macht zij aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in de stad.

  • 13Ook zal de HEERE het goede geven; en ons land zal zijn vrucht geven. [ (Psalms 85:14) De gerechtigheid zal voor Zijn aangezicht henengaan, en Hij zal ze zetten op den weg Zijner voetstappen. ]

  • 3Wie zal klimmen op den berg des HEEREN, en wie zal staan in de plaats Zijner heiligheid?

  • 7Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zeg Ik u: Ik ben de Deur der schapen.

  • 5De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.

  • 9Toen mat hij het andere voorhuis der poort, acht ellen, en haar posten twee ellen; en het voorhuis der poort was van binnen.

  • 2En zeg: Hoor het woord des HEEREN, gij koning van Juda, gij, die zit op Davids troon, gij, en uw knechten, en uw volk, die door deze poorten ingaan!