Psalmen 118:27
De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feest offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.
De HEERE is God, Die ons licht gegeven heeft. Bindt het feest offer met touwen tot aan de hoornen van het altaar.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
28Gij zijt mijn God, daarom zal ik U loven; o mijn God! ik zal U verhogen.
26Gezegend zij hij, die daar komt in den Naam des HEEREN! Wij zegenen ulieden uit het huis des HEEREN.
2Dient den HEERE met blijdschap, komt voor Zijn aanschijn met vrolijk gezang.
3Weet, dat de HEERE is God; Hij heeft ons gemaakt (en niet wij), Zijn volk en de schapen Zijner weide.
4Gaat in tot Zijn poorten met lof, in Zijn voorhoven met lofgezang; looft Hem, prijst Zijn Naam.
29Want Gij zijt mijn Lamp, o HEERE, en de HEERE doet mijn duisternis opklaren.
1Een psalm van David. De HEERE is mijn Licht en mijn Heil, voor wien zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens kracht, voor wien zou ik vervaard zijn?
23Dit is van den HEERE geschied, en het is wonderlijk in onze ogen.
24Dit is de dag, dien de HEERE gemaakt heeft; laat ons op denzelven ons verheugen, en verblijd zijn.
28Want Gij verlost het bedrukte volk, maar de hoge ogen vernedert Gij.
17Ik zal U offeren, offerande van dankzegging, en den Naam des HEEREN aanroepen.
2Want Zijn goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des HEEREN is in der eeuwigheid! Hallelujah!
9Verheft den HEERE, onzen God, en buigt u voor den berg Zijner heiligheid; want de HEERE, onze God, is heilig.
14De HEERE is mijn Sterkte en Psalm, want Hij is mij tot heil geweest.
3Zend Uw licht en Uw waarheid, dat die mij leiden; dat zij mij brengen tot den berg Uwer heiligheid, en tot Uw woningen;
47Verlos ons, HEERE, onze God! en verzamel ons uit de heidenen, opdat wij den Naam Uwer heiligheid loven, ons beroemende in Uw lof.
18Maar wij zullen den HEERE loven van nu aan tot in der eeuwigheid. Hallelujah!
6De hovaardigen hebben mij een strik verborgen, en koorden; zij hebben een net uitgespreid aan de zijde des wegs; valstrikken hebben zij mij gezet. Sela.
4De HEERE, Die rechtvaardig is, heeft de touwen der goddelozen afgehouwen.
2De HEERE is mijn Kracht en Lied, en Hij is mij tot een Heil geweest; deze is mijn God; daarom zal ik Hem een liefelijke woning maken; Hij is mijns vaders God, dies zal ik Hem verheffen!
20Geloofd zij de HEERE; dag bij dag overlaadt Hij ons. Die God is onze Zaligheid. Sela.
31Gods weg is volmaakt; de rede des HEEREN is doorlouterd; Hij is een Schild allen, die op Hem betrouwen.
5Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stil. Sela.
6Offert offeranden der gerechtigheid, en vertrouwt op den HEERE.
32Want wie is God, behalve de HEERE, en wie is een rotssteen, behalve onze God?
5Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad.
5Verzamelt Mij Mijn gunstgenoten, die Mijn verbond maken met offerande!
35En zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heiligen Naam loven, en dat wij ons Uws lofs roemen.
2Hij zeide dan: Ik zal U hartelijk liefhebben, HEERE, mijn Sterkte!
7De HEERE is mijn Sterkte en mijn Schild; op Hem heeft mijn hart vertrouwd, en ik ben geholpen; dies springt mijn hart van vreugde, en ik zal Hem met mijn gezang loven.
2De Naam des HEEREN zij geprezen, van nu aan tot in der eeuwigheid.
6Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijn vijanden, die rondom mij zijn, en ik zal in Zijn tent offeranden des geklanks offeren; ik zal zingen, ja, psalmzingen den HEERE.
6Komt, laat ons aanbidden en nederbukken; laat ons knielen voor den HEERE, Die ons gemaakt heeft.
19In de voorhoven van het huis des HEEREN, in het midden van u, o Jeruzalem! Hallelujah!
5De HEERE is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermende.
7Zingt den HEERE bij beurte met dankzegging; psalmzingt onzen God op de harp.
10De HEERE heeft onze gerechtigheden hervoor gebracht; komt en laat ons te Sion het werk des HEEREN, onzes Gods, vertellen!
9Zij worden dronken van de vettigheid Uws huizes; en Gij drenkt hen uit de beek Uwer wellusten.
1HEERE! Gij zijt mijn God, U zal ik verhogen, Uw Naam zal ik loven, want Gij hebt wonder gedaan; Uw raadslagen van verre zijn waarheid en vastigheid.
27Majesteit en heerlijkheid zijn voor Zijn aangezicht, sterkte en vrolijkheid zijn in Zijn plaats.
21Geloofd zij de HEERE uit Sion, Die te Jeruzalem woont. Hallelujah!
6Ziet, God is mij een Helper; de Heere is onder degenen, die mijn ziel ondersteunen.
1De HEERE regeert, Hij is met hoogheid bekleed; de HEERE is bekleed met sterkte, Hij heeft Zich omgord. Ook is de wereld bevestigd, zij zal niet wankelen.
13En zal al Uw werken betrachten, en van Uw daden spreken.
2Gij, die staat in het huis des HEEREN, in de voorhoven van het huis onzes Gods!
7Hij is de HEERE, onze God; Zijn oordelen zijn over de gehele aarde.
3De HEERE heeft grote dingen bij ons gedaan; dies zijn wij verblijd.
19Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den HEERE loven.
2De HEERE heeft Zijn heil bekend gemaakt; Hij heeft Zijn gerechtigheid geopenbaard voor de ogen der heidenen.
14Offert Gode dank, en betaalt den Allerhoogste uw geloften.