Psalmen 55:17
Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen.
Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de HEERE zal mij verlossen.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
16Dat hun de dood als een schuldeiser overvalle, dat zij als levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hun woning, in het binnenste van hen.
1Een psalm van Asaf, voor den opperzangmeester, over Jeduthun.
2Mijn stem is tot God, en ik roep; mijn stem is tot God, en Hij zal het oor tot mij neigen.
2O HEERE, neem mijn redenen ter ore; versta mijn overdenking.
3Merk op de stem mijns geroeps, o mijn Koning en mijn God! Want tot U zal ik bidden.
2Mijn God, mijn God! waarom hebt Gij mij verlaten, verre zijnde van mijn verlossing, van de woorden mijns brullens?
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
2O God! neem mijn gebed ter oren, en verberg U niet voor mijn smeking.
3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;
8De afgrond roept tot den afgrond, bij het gedruis Uwer watergoten; al Uw baren en Uw golven zijn over mij heengegaan.
9Maar de HEERE zal des daags Zijn goedertierenheid gebieden, en des nachts zal Zijn lied bij mij zijn; het gebed tot den God mijns levens.
1Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor den opperzangmeester, op Machalath Leannoth; een onderwijzing van Heman, den Ezrahiet.
2O HEERE, God mijns heils! bij dag, bij nacht roep ik voor U.
13Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?
6Banden der hel omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.
1Een psalm van David. HEERE! ik roep U aan, haast U tot mij; neem mijn stem ter ore, als ik tot U roep.
2Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor Uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer.
1Een onderwijzing van David, een gebed, als hij in de spelonk was.
2Ik riep met mijn stem tot den HEERE; ik smeekte tot den HEERE met mijn stem.
2Als de Zifieten gekomen waren, en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?
1Een lied op Hammaaloth. Ik heb tot den HEERE geroepen in mijn benauwdheid, en Hij heeft mij verhoord.
6Ik roep U aan, omdat Gij mij verhoort; o God! neig Uw oor tot mij; hoor mijn rede.
7Hoor, HEERE! mijn stem, als ik roep; en wees mij genadig, en antwoord mij.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
1Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijn klacht uitstort voor het aangezicht des HEEREN.
2O HEERE! hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot U komen.
7Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; en Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep kwam in Zijn oren.
16Laat hen zelfs omzwerven om spijs; en laat hen vernachten, al zijn zij niet verzadigd.
13Ik stelde mij voor tot den morgenstond toe; gelijk een leeuw, alzo zal Hij al mijn beenderen breken; van den dag tot den nacht, zult Gij mij ten einde gebracht hebben.
4Doch Gij, HEERE! zijt een Schild voor mij, mijn eer, en Die mijn hoofd opheft.
56Koph. Gij hebt mijn stem gehoord, verberg Uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.
9Wijkt van mij, al gij werkers der ongerechtigheid; want de HEERE heeft de stem mijns geweens gehoord.
8Want, HEERE! Gij hadt mijn berg door Uw goedgunstigheid vastgezet; maar toen Gij Uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.
3Zijt mij genadig, HEERE! want ik roep tot U den gansen dag.
1Een gouden kleinood van David, voor den opperzangmeester, Altascheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.
2Wees mij genadig, o God! Wees mij genadig, want mijn ziel betrouwt op U, en ik neem mijn toevlucht onder de schaduw Uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.
3Ik zal roepen tot God, den Allerhoogste, tot God, Die het aan mij voleinden zal.
19Maar zeker, God heeft gehoord; Hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.
18Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.
22Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft Zijn goedertierenheid aan mij wonderlijk gemaakt, mij voerende als in een vaste stad.
2Want Hij neigt Zijn oor tot mij; dies zal ik Hem in mijn dagen aanroepen.
1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Neginoth.
3Mijn ziel dorst naar God, naar den levenden God; wanneer zal ik ingaan, en voor Gods aangezicht verschijnen?
8Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit Hij de oren voor mijn gebed.
2HEERE! hoor naar mijn stem; laat Uw oren opmerkende zijn op de stem mijner smekingen.
7In den dag mijner benauwdheid roep ik U aan, want Gij verhoort mij.
12Kastijdt Gij iemand met straffingen om de ongerechtigheid, zo doet Gij zijn bevalligheid smelten als een mot; immers is een ieder mens ijdelheid. Sela.
9Zal God zijn geroep horen, als benauwdheid over hem komt?
3Ik ben gezonken in grondeloze modder, waar men niet kan staan; ik ben gekomen in de diepten der wateren, en de vloed overstroomt mij.
6Geloofd zij de HEERE, want Hij heeft de stem mijner smekingen gehoord.