1 Kronieken 23:14
Aangaande nu Mozes, den man Gods, zijn kinderen werden genoemd onder den stam van Levi.
Aangaande nu Mozes, den man Gods, zijn kinderen werden genoemd onder den stam van Levi.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
15De kinderen van Mozes waren Gersom en Eliezer.
13De kinderen van Amram waren Aaron en Mozes. Aaron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde de allerheiligste dingen, hij en zijn zonen, tot in eeuwigheid, om te roken voor het aangezicht des HEEREN, om Hem te dienen en om in Zijn Naam tot in eeuwigheid te zegenen.
16En Mozes telde hen naar het bevel des HEEREN, gelijk hem geboden was.
17Dit nu waren de zonen van Levi met hun namen: Gerson, en Kahath, en Merari.
11En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1Dit nu zijn de geboorten van Aaron en Mozes; ten dage als de HEERE met Mozes gesproken heeft op den berg Sinai.
11En de zonen van Levi: Gerson, Kehath en Merari.
1De kinderen van Levi waren Gerson, Kahath en Merari.
8Voorts zeide Mozes tot Korach: Hoort toch, gij, kinderen van Levi!
3En de kinderen van Amram waren Aaron, en Mozes en Mirjam; en de kinderen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.
17Toen namen Mozes en Aaron die mannen, welken met namen uitgedrukt zijn.
5En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
6Doe den stam van Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht van den priester Aaron, opdat zij hem dienen;
24En Mozes sprak zulks tot Aaron en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels.
48Want de HEERE had tot Mozes gesproken, zeggende:
45Dezen zijn de getelden van de geslachten der zonen van Merari, welke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des HEEREN, door de hand van Mozes.
46Al de getelden, welke Mozes en Aaron, en de oversten van Israel geteld hebben van de Levieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen,
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
22En daarna kwamen de Levieten, om hun dienst te bedienen in de tent der samenkomst, voor het aangezicht van Aaron, en voor het aangezicht zijner zonen; gelijk als de HEERE Mozes van de Levieten geboden had, alzo deden zij aan hen.
23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
44En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
29Want Mozes had gezegd: Vult heden uw handen den HEERE; want elk zal zijn tegen zijn zoon, en tegen zijn broeder; en dit, opdat Hij heden een zegen over ulieden geve!
16Zo zijn dan de kinderen van Levi: Gerson, Kahath en Merari.
19En Amram nam Jochebed, zijn moei, zich tot huisvrouw, en zij baarde hem Aaron en Mozes; en de jaren des levens van Amram waren honderd zeven en dertig jaren.
2En ook zult gij uw broederen, den stam van Levi, den stam uws vaders, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden, en u dienen; maar gij, en uw zonen met u, zult zijn voor de tent der getuigenis.
33Maar de Levieten werden niet geteld onder de zonen van Israel, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
15Toen sprak Mozes tot den HEERE, zeggende:
26Dezen zijn het, die tot Farao, den koning van Egypte, spraken, opdat zij de kinderen Israels uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aaron.
16Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
34Mozes dan en Aaron, en de oversten der vergadering telden de zonen der Kahathieten, naar hun geslachten, en naar het huis hunner vaderen:
14En de HEERE sprak tot Mozes in de woestijn van Sinai, zeggende:
47Den zoon van Maheli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi.
20En Mozes deed, en Aaron, en de ganse vergadering der kinderen Israels, aan de Levieten, naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had van de Levieten, zo deden de kinderen Israels aan hen.
51En Mozes gaf dat geld der gelosten aan Aaron en aan zijn zonen, naar het bevel des HEEREN, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
59En de naam der huisvrouw van Amram was Jochebed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram, Aaron, en Mozes, en Mirjam, hun zuster.
9Gij zult dan, aan Aaron en aan zijn zonen, de Levieten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven uit de kinderen Israels.
14En gij zult de Levieten uit het midden van de kinderen Israels uitscheiden, opdat de Levieten Mijn zijn.
33Maar aan den stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel; de HEERE, de God Israels, is Zelf hunlieder Erfdeel, gelijk als Hij tot hen gesproken heeft.
21De kinderen van Merari waren Maheli en Musi; de kinderen van Maheli waren Eleazar en Kis.
1Dit nu is de zegen, met welken Mozes, de man Gods, de kinderen Israels gezegend heeft, voor zijn dood.
3Met haar twee zonen, welker enes naam was Gersom (want hij zeide: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land);
4En de naam des anderen was Eliezer, want, zeide hij, de God mijns vaders is tot mijn Hulpe geweest, en heeft mij verlost van Farao's zwaard.
1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
21En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
3Want aan de twee stammen en den halven stam had Mozes een erfdeel gegeven op gene zijde van de Jordaan; maar aan de Levieten had hij geen erfdeel onder hen gegeven.
5Want de HEERE, uw God, heeft hem uit al uw stammen verkoren, dat hij sta, om te dienen in den Naam des HEEREN, hij en zijn zonen, te allen dage.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
22En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: