1 Kronieken 7:24

Statenvertaling (States Bible)

Zijn dochter nu was Seera, die bouwde het lage en het hoge Beth-horon, en Uzzen-Seera.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Joz 16:3 : 3 En het gaat af tegen het westen naar de landpale Jafleti, tot aan de landpale van het benedenste Beth-horon, en tot Gezer; en haar uitgangen zijn aan de zee.
  • Joz 16:5 : 5 De landpale nu der kinderen van Efraim, naar hun huisgezinnen, is deze: te weten, de landpale huns erfdeels was oostwaarts Atroth-Addar tot aan het bovenste Beth-Horon.
  • 2 Kron 8:5 : 5 Ook bouwde hij het hoge Beth-horon en het neder Beth-horon, vaste steden met muren, deuren en grendelen;
  • Joz 10:10 : 10 En de HEERE verschrikte hen voor het aangezicht van Israel; en hij sloeg hen met een groten slag te Gibeon, en vervolgde hen op den weg, waar men naar Beth-horon opgaat, en sloeg hen tot Azeka en tot Makkeda toe.
  • 1 Kon 9:17 : 17 Alzo bouwde Salomo Gezer, en het lage Beth-horon.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 23Daarna ging hij in tot zijn huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijn naam Beria, omdat zij in ellende was in zijn huis.

  • 25En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan;

  • 71%

    30De kinderen van Aser waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Beria, en Sera, hunlieder zuster.

    31De kinderen van Beria nu waren Heber en Malchiel; hij is de vader van Birzavith.

    32En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hotham, en Sua, hunlieder zuster.

  • 70%

    15Machir nu nam tot een vrouw de zuster van Huppim en Suppim, en haar naam was Maacha; en de naam des tweeden was Zelafead. Zelafead nu had dochters.

    16En Maacha, de huisvrouw van Machir, baarde een zoon, en zij noemde zijn naam Peres, en de naams zijns broeders was Seres, en zijn zonen waren Ulam en Rekem.

  • 70%

    36De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnefer, en Sual, en Beri, en Jimra,

    37Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beera.

  • 17Alzo bouwde Salomo Gezer, en het lage Beth-horon.

  • 46En de naam der dochter van Aser was Serah.

  • 1 Kron 4:6-7
    2 verzen
    68%

    6En Naara baarde hem Ahuzzam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari. Dit zijn de kinderen van Naara.

    7En de kinderen van Hela waren Zereth, Jezohar, en Ethnan.

  • 18Kaleb nu, de zoon van Hezron, gewon kinderen uit Azuba, zijn vrouw, en uit Jerioth. En de zonen van deze zijn: Jeser, en Sobab, en Ardon.

  • 5En zij voer nog voort, en baarde een zoon, en noemde zijn naam Sela; doch hij was te Chezib, toen zij hem baarde.

  • 34En Sesan had geen zonen, maar dochteren. En Sesan had een Egyptischen knecht, wiens naam was Jarha.

  • 12Daartoe Suppim en Huppim waren kinderen van Ir, en Husim, kinderen van Aher.

  • 67%

    18Belangende nu zijn zuster Molecheth, zij baarde Ishod, en Abiezer, en Mahela.

    19De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.

    20En de kinderen van Efraim waren Suthelah; en zijn zoon was Bered; en zijn zoon Tahath; en zijn zoon Elada; en zijn zoon Tahath;

  • 12En aan zijn hand verbeterde Sallum, de zoon van Lohes, overste van het andere halve deel van Jeruzalem, hij en zijn dochteren.

  • 24Zijn zoon Tahath; zijn zoon Uriel; zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.

  • 31En Gedor, en Ahio, en Zecher.

  • 6En Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth;

  • 9En hij had dertig zonen; en hij zond dertig dochteren naar buiten, en bracht dertig dochteren van buiten in voor zijn zonen; en hij richtte Israel zeven jaren.

  • 25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,

  • 5Ook bouwde hij het hoge Beth-horon en het neder Beth-horon, vaste steden met muren, deuren en grendelen;

  • 39En de kinderen van Ulla waren Arah, en Hanniel, en Rizja.

  • 5En Gera, en Sefufan, en Huram.

  • 28En zij woonden te Ber-seba, en te Molada, en te Hazar-Sual,

  • 1 Kron 2:3-4
    2 verzen
    65%

    3De kinderen van Juda zijn: Er, en Onan, en Sela; drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, de Kanaanietische; en Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in de ogen des HEEREN; daarom doodde Hij hem.

    4Maar Thamar, zijn schoondochter, baarde hem Perez en Zerah. Al de zonen van Juda waren vijf.

  • 10De kinderen van Jediael nu waren Bilhan; en de kinderen van Bilhan waren Jeus en Benjamin, en Ehud, en Chenaana, en Zethan, en Tharsis, en Ahi-sahar.

  • 24En na den dood van Hezron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia, Hezrons huisvrouw, hem ook gebaard Aschur, de vader van Thekoa.

  • 27Zijn zoon was Non; zijn zoon Jozua.

  • 65%

    48Uit het bijwijf Maacha gewon Kaleb: Seber en Tirhana.

    49En de huisvrouw van Saaf, den vader van Madmanna, baarde Seva, den vader van Machbena, en den vader van Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.

  • 17En de zonen van Aser: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berija, en Sera, hun zuster; en de zonen van Berija: Heber en Malchiel.

  • 22En Chesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuel;

  • 18En zijn Joodse huisvrouw baarde Jered, den vader van Gedor, en Heber, den vader van Socho, en Jekuthiel, den vader van Bitja, de dochter van Farao, die Mered genomen had.

  • 19Dewelke hem zonen baarde, Jeus, en Semaria, en Zaham.

  • 8En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer inwaarts dan dat voorhuis, hetwelk aan hetzelve werk gelijk was; ook maakte hij voor de dochter van Farao, die Salomo tot vrouw genomen had, een huis, aan dat voorhuis gelijk.

  • 20Alzo waren de zonen van Juda naar hun geslachten: van Sela het geslacht der Selanieten; van Perez het geslacht der Perezieten; van Zerah het geslacht der Zerahieten.