Deuteronomium 31:25
Zo gebood Mozes den Levieten, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, zeggende:
Zo gebood Mozes den Levieten, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de priesteren, de zonen van Levi, die de ark des verbonds des HEEREN droegen, en aan alle oudsten van Israel.
26Neemt dit wetboek, en legt het aan de zijde van de ark des verbonds des HEEREN, uws Gods, dat het aldaar zij ten getuige tegen u.
15En de kinderen der Levieten droegen de ark Gods op hun schouderen, met de draagbomen, die op hen waren, gelijk als Mozes geboden had naar het woord des HEEREN.
24En het geschiedde, als Mozes voleind had de woorden dezer wet te schrijven in een boek, totdat zij voltrokken waren;
25Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
11En Mozes gebood het volk te dien dage, zeggende:
23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
12Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
40En Mozes sprak tot de kinderen Israels naar al wat de HEERE Mozes geboden had.
25En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
17Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
31En Mozes, en Eleazar, de priester, deden, gelijk als de HEERE Mozes geboden had.
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1En Mozes, te zamen met de oudsten van Israel, gebood het volk, zeggende: Behoudt al deze geboden, die ik ulieden heden gebiede.
1Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
48Want de HEERE had tot Mozes gesproken, zeggende:
16Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, aan den berg Sinai, zeggende:
27Verder zeide de HEERE tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want naar luid dezer woorden heb Ik een verbond met u en met Israel gemaakt.
11En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
21En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes, in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
13En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
5Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1En Mozes sprak tot de hoofden der stammen van de kinderen Israels, zeggende: Dit is de zaak, die de HEERE geboden heeft:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
16Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
20En Mozes deed, en Aaron, en de ganse vergadering der kinderen Israels, aan de Levieten, naar alles, wat de HEERE Mozes geboden had van de Levieten, zo deden de kinderen Israels aan hen.
21En hij bracht de ark in den tabernakel, en hij hing den voorhang van het deksel op, en bedekte de ark der getuigenis, gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had.
10Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
34Gelijk als de HEERE aan Mozes geboden had, alzo zette ze Aaron voor de getuigenis tot bewaring.
16Daarna zult gij in de ark leggen de getuigenis, die Ik u geven zal.
1Toen deed Mozes de ganse vergadering der kinderen Israels verzamelen, en zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die de HEERE geboden heeft, dat men ze doe.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
37En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
5Toen gebood Mozes den kinderen Israels, naar des HEEREN mond, zeggende: De stam der kinderen van Jozef spreekt recht.
5Toen zeide Mozes tot de vergadering: Dit is de zaak, die de HEERE geboden heeft te doen.
21En Eleazar, de priester, zeide tot de krijgslieden, die tot dien strijd getogen waren: Dit is de inzetting der wet, die de HEERE Mozes geboden heeft.
15Toen sprak Mozes tot den HEERE, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
22En Mozes deed, gelijk als de HEERE hem geboden had; want hij nam Jozua, en stelde hem voor het aangezicht van Eleazar, den priester, en voor het aangezicht der ganse vergadering.
11Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
22Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
22En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende: