Exodus 34:31

Statenvertaling (States Bible)

Toen riep Mozes hen; en Aaron, en al de oversten in de vergadering keerden weder tot hem; en Mozes sprak tot hen.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Gen 45:3 : 3 En Jozef zeide tot zijn broederen: Ik ben Jozef! leeft mijn vader nog? En zijn broeders konden hem niet antwoorden; want zij waren verschrikt voor zijn aangezicht.
  • Gen 45:15 : 15 En hij kuste al zijn broederen, en hij weende over hen; en daarna spraken zijn broeders met hem.
  • Ex 3:15 : 15 Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israels zeggen: De HEERE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Izak, en de God van Jakob, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is Mijn Naam eeuwiglijk, en dat is Mijn gedachtenis van geslacht tot geslacht.
  • Ex 24:1-3 : 1 Daarna zeide Hij tot Mozes: Klim op tot den HEERE, gij en Aaron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israel; en buigt u neder van verre! 2 En dat Mozes alleen zich nadere tot den HEERE, maar dat zij niet naderen; en het volk klimme ook niet op met hem. 3 Als Mozes kwam en verhaalde aan het volk al de woorden des HEEREN, en al de rechten, toen antwoordde al het volk met een stem, en zij zeiden: Al deze woorden, die de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ex 4:27-30
    4 verzen
    80%

    27De HEERE zeide ook tot Aaron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging, en ontmoette hem aan den berg Gods, en hij kuste hem.

    28En Mozes gaf Aaron te kennen al de woorden des HEEREN, Die hem gezonden had, en al de tekenen, die Hij hem bevolen had.

    29Toen ging Mozes en Aaron, en zij verzamelden al de oudsten der kinderen Israels.

    30En Aaron sprak al de woorden, die de HEERE tot Mozes gesproken had; en hij deed de tekenen voor de ogen des volks.

  • Ex 34:29-30
    2 verzen
    80%

    29En het geschiedde, toen Mozes van den berg Sinai afging (de twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes, als hij van den berg afging), zo wist Mozes niet, dat het vel zijns aangezichts glinsterde, toen Hij met hem sprak.

    30Als nu Aaron en al de kinderen Israels Mozes aanzagen, ziet, zo glinsterde het vel zijns aangezichts; daarom vreesden zij tot hem toe te treden.

  • Ex 34:32-35
    4 verzen
    79%

    32En daarna traden al de kinderen Israels toe; en hij gebood hun al wat de HEERE met hem gesproken had op den berg Sinai.

    33Alzo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.

    34Doch als Mozes voor het aangezicht des HEEREN kwam, om met Hem te spreken, zo nam hij het deksel af, totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zo sprak hij tot de kinderen Israels, wat hem geboden was.

    35Zo zagen dan de kinderen Israels het aangezicht van Mozes, dat het vel van het aangezicht van Mozes glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezicht, totdat hij inging om met Hem te spreken.

  • Num 16:42-44
    3 verzen
    77%

    42En het geschiedde, als de vergadering zich verzamelde tegen Mozes en Aaron, en zich wendde naar de tent der samenkomst, ziet, zo bedekte haar die wolk; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen.

    43Mozes nu en Aaron kwamen tot voor de tent der samenkomst.

    44Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 5Toen vielen Mozes en Aaron op hun aangezichten, voor het aangezicht van de ganse gemeente der vergadering van de kinderen Israels.

  • 30Daarna verzamelde zich Mozes tot het leger, hij en de oudsten van Israel.

  • 25Toen klom Mozes af tot het volk, en zeide het hun aan.

  • 24En Mozes sprak zulks tot Aaron en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels.

  • 7En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hun aangezichten al deze woorden, die de HEERE hem geboden had.

  • 15Toen sprak Mozes tot den HEERE, zeggende:

  • 1Daarna ging Mozes heen, en sprak deze woorden tot gans Israel,

  • 26Daarna sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 6Toen gingen Mozes en Aaron van het aangezicht der gemeente tot de deur van de tent der samenkomst, en zij vielen op hun aangezichten; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen hun.

  • 13Maar Mozes en Eleazar, de priester, en alle oversten der vergadering, gingen uit hen tegemoet, tot buiten voor het leger.

  • 1Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 23Toen ging Mozes met Aaron in de tent der samenkomst; daarna kwamen zij uit, en zegenden het volk; en de heerlijkheid des HEEREN verscheen al het volk.

  • 31Zo keerde Mozes weder tot den HEERE, en zeide: Och, dit volk heeft een grote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben.

  • 4Als Mozes dit hoorde, zo viel hij op zijn aangezicht.

  • 9Daarna zeide Mozes tot Aaron: Zeg tot de ganse vergadering der kinderen Israels: Nadert voor het aangezicht des HEEREN, want Hij heeft uw murmureringen gehoord.

  • 1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 1Toen deed Mozes de ganse vergadering der kinderen Israels verzamelen, en zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die de HEERE geboden heeft, dat men ze doe.

  • 11Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 25Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 20En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 1Dit nu zijn de geboorten van Aaron en Mozes; ten dage als de HEERE met Mozes gesproken heeft op den berg Sinai.

  • 17Toen namen Mozes en Aaron die mannen, welken met namen uitgedrukt zijn.

  • 13En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 33Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 11Ook heeft de HEERE tot Mozes gesproken, zeggende:

  • 1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 40En Mozes sprak tot de kinderen Israels naar al wat de HEERE Mozes geboden had.

  • 9Mozes nu en Aaron klommen opwaarts, ook Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten van Israel.

  • 21En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:

  • 14En hij zeide tot de oudsten: Blijft gij ons hier, totdat wij weder tot u komen; en ziet, Aaron en Hur zijn bij u; wie enige zaken heeft, zal tot dezelve komen.

  • 1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

  • 1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

  • 27Mozes nu deed, gelijk als de HEERE geboden had; want zij klommen op tot den berg Hor, voor de ogen der ganse vergadering.

  • 4Mozes nu deed, gelijk als de HEERE hem geboden had; en de vergadering werd verzameld aan de deur van de tent der samenkomst.

  • 3En Mozes klom op tot God. En de HEERE riep tot hem van den berg, zeggende: Aldus zult gij tot het huis van Jakob spreken, en den kinderen Israels verkondigen: