Johannes 4:52

Statenvertaling (States Bible)

Zo vraagde hij dan van hen de ure, in welke het beter met hem geworden was. En zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven ure verliet hem de koorts.

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Joh 4:53-54
    2 verzen
    83%

    53De vader bekende dan, dat het in dezelve ure was, in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft. En hij geloofde zelf, en zijn gehele huis.

    54Dit tweede teken heeft Jezus wederom gedaan, als Hij uit Judea in Galilea gekomen was.

  • Joh 4:49-51
    3 verzen
    81%

    49De koninklijke hoveling zeide tot Hem: Heere, kom af, eer mijn kind sterft.

    50Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft. En de mens geloofde het woord, dat Jezus tot hem zeide, en ging heen.

    51En als hij nu afging, kwamen hem zijn dienstknechten tegemoet, en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft!

  • Joh 4:45-47
    3 verzen
    78%

    45Als Hij dan in Galilea kwam, ontvingen Hem de Galileers, gezien hebbende al de dingen, die Hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan.

    46Zo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galilea, waar Hij het water wijn gemaakt had. En er was een zeker koninklijk hoveling, wiens zoon krank was, te Kapernaum.

    47Deze, gehoord hebbende, dat Jezus uit Judea in Galilea kwam, ging tot Hem, en bad Hem, dat Hij afkwame, en zijn zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.

  • Luk 4:38-40
    3 verzen
    75%

    38En Jezus, opgestaan zijnde uit de synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouws moeder was met een grote koorts bevangen, en zij baden Hem voor haar.

    39En staande boven haar, bestrafte Hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande, diende henlieden.

    40En als de zon onderging, brachten allen, die kranken hadden, met verscheidenen ziekten bevangen, die tot Hem, en Hij legde een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve.

  • 10En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden den kranken dienstknecht gezond.

  • 13En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga heen, en u geschiede, gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden te diezelver ure.

  • Marc 1:30-32
    3 verzen
    72%

    30En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij Hem van haar.

    31En Hij, tot haar gaande, vatte haar hand, en richtte haar op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende henlieden.

    32Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot Hem allen, die kwalijk gesteld, en van den duivel bezeten waren.

  • 22Want de mens was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teken der genezing geschied was.

  • 18En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af.

  • Matt 8:15-16
    2 verzen
    71%

    15En Hij raakte haar hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op, en diende henlieden.

    16En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot Hem gebracht, en Hij wierp de boze geesten uit met den woorde, en Hij genas allen, die kwalijk gesteld waren;

  • Joh 5:11-15
    5 verzen
    71%

    11Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, Die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op, en wandel.

    12Zij vraagden hem dan: Wie is de Mens, Die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op, en wandel?

    13En die gezond gemaakt was, wist niet, Wie Hij was; want Jezus was ontweken, alzo er een grote schare in die plaats was.

    14Daarna vond hem Jezus in den tempel, en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden; zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.

    15De mens ging heen, en boodschapte den Joden, dat het Jezus was, Die hem gezond gemaakt had.

  • 21En in dezelfde ure genas Hij er velen van ziekten en kwalen, en boze geesten; en velen blinden gaf Hij het gezicht.

  • Joh 5:4-9
    6 verzen
    71%

    4Want een engel daalde neder op zekeren tijd in dat badwater, en beroerde het water; die dan eerst daarin kwam, na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was.

    5En aldaar was een zeker mens, die acht en dertig jaren krank gelegen had.

    6Jezus, ziende dezen liggen, en wetende, dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?

    7De kranke antwoordde Hem: Heere, ik heb geen mens, om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zo daalt een ander voor mij neder.

    8Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op, en wandel.

    9En terstond werd de mens gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op denzelven dag.

  • 4Maar zij zwegen stil. En Hij nam hem, en genas hem, en liet hem gaan.

  • Matt 8:5-7
    3 verzen
    70%

    5Als nu Jezus te Kapernaum ingegaan was, kwam tot Hem een hoofdman over honderd, biddende Hem,

    6En zeggende: Heere! mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen.

    7En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen.

  • Luk 7:2-3
    2 verzen
    70%

    2En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, krank zijnde, lag op zijn sterven.

    3En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot Hem de ouderlingen der Joden, Hem biddende, dat Hij wilde komen, en zijn dienstknecht gezond maken.

  • 19En Hij zeide tot hem: Sta op, en ga heen; uw geloof heeft u behouden.

  • 25En hij, terstond voor Hem opstaande, en opgenomen hebbende hetgeen, daar hij op gelegen had, ging heen naar zijn huis, God verheerlijkende.

  • 5En Jezus, hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uw zonden zijn u vergeven.

  • Marc 2:11-12
    2 verzen
    69%

    11Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeken op, en ga heen naar uw huis.

    12En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende, ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij zich allen ontzetten en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien!

  • 27En Jezus, hem bij de hand grijpende, richtte hem op; en hij stond op.

  • 21En Hij vraagde zijn vader: Hoe langen tijd is het, dat hem dit overkomen is? En hij zeide: Van zijn kindsheid af.

  • 42En als Hij dit gezegd had, ging de melaatsheid terstond van hem, en hij werd gereinigd.

  • 42En nog, als hij naar Hem toekwam, scheurde hem de duivel, en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en maakte het kind gezond, en gaf hem zijn vader weder.

  • 16En ik heb hem tot Uw discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen.

  • 43En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea;

  • 7En hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis.