Johannes 7:53
En een iegelijk ging heen naar zijn huis.
En een iegelijk ging heen naar zijn huis.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
43Alzo toog het ganse volk henen, een iegelijk in zijn huis; en David keerde zich, om zijn huis te gaan zegenen.
7En hij opgestaan zijnde, ging heen naar zijn huis.
24Ook togen de kinderen Israels te dier tijd van daar, een iegelijk naar zijn stam en naar zijn geslacht; alzo togen zij uit van daar, een iegelijk naar zijn erfenis.
25In die dagen was er geen koning in Israel; een iegelijk deed, wat recht was in zijn ogen.
10De discipelen dan gingen wederom naar huis.
53En het is geschied, als Jezus deze gelijkenissen geeindigd had, vertrok Hij van daar.
54En gekomen zijnde in Zijn vaderland, leerde Hij hen in hun synagoge, zodat zij zich ontzetten, en zeiden: Van waar komt Dezen die wijsheid en die krachten?
1En Hij ging van daar weg, en kwam in Zijn vaderland, en Zijn discipelen volgden Hem.
30Maar Hij, door het midden van hen doorgegaan zijnde, ging weg.
1Nadat Hij nu al Zijn woorden voleindigd had, ten aanhore des volks, ging Hij in te Kapernaum.
3En zij gingen allen om beschreven te worden, een iegelijk naar zijn eigen stad.
23En het geschiedde, als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.
6Als Jozua het volk had laten gaan, zo waren de kinderen Israels heengegaan, een ieder tot zijn erfdeel, om het land erfelijk te bezitten.
14En een iegelijk zal zijn als een verjaagde ree, en als een schaap, dat niemand vergadert; een iegelijk zal naar zijn volk omzien, en een iegelijk zal naar zijn land vluchten.
52Zij antwoordden en zeiden tot hem: Zijt gij ook uit Galilea? Onderzoek en zie, dat uit Galilea geen profeet opgestaan is.
4En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar uit.
28Toen zond Jozua het volk weg, een ieder naar zijn erfdeel.
26En Hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek.
19En als het nu laat geworden was, ging Hij uit buiten de stad.
6En zij, uitgaande, doorgingen al de vlekken, verkondigende het Evangelie, en genezende de zieken overal.
30Zij dan gingen uit de stad, en kwamen tot Hem.
3Zo verliet Hij Judea, en ging wederom heen naar Galilea.
7En Jezus vertrok met Zijn discipelen naar de zee; en Hem volgde een grote menigte van Galilea, en van Judea.
39Keer weder naar uw huis, en vertel, wat grote dingen u God gedaan heeft. En hij ging heen door de gehele stad, verkondigende, wat grote dingen Jezus hem gedaan had.
23En zij, losgelaten zijnde, kwamen tot de hunnen, en verkondigden al wat de overpriesters en de ouderlingen tot hen gezegd hadden.
3Zo zeiden dan Zijn broeders tot Hem: Vertrek van hier, en ga heen in Judea, opdat ook Uw discipelen Uw werken mogen aanschouwen, die Gij doet.
50En zij, Hem verlatende, zijn allen gevloden.
49Toen verschrikten en stonden op al de genoden, die bij Adonia waren, en gingen een iegelijk zijns weegs.
37En zij Hem gevonden hebbende, zeiden tot Hem: Zij zoeken U allen.
35De Joden dan zeiden tot elkander: Waar zal Deze heengaan, dat wij Hem niet zullen vinden? Zal Hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leren?
9Maar zij, dit horende, en van hun geweten overtuigd zijnde, gingen uit, de een na den andere, beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alleen gelaten; en de vrouw in het midden staande.
55Als nu de mannen van Israel zagen, dat Abimelech dood was, zo gingen zij een iegelijk naar zijn plaats.
57En zij werden aan Hem geergerd. Maar Jezus zeide tot hen: Een profeet is niet ongeeerd, dan in zijn vaderland, en in zijn huis.
53En zij leidden Jezus henen tot den hogepriester; en bij hem vergaderden al de overpriesters, en de ouderlingen, en de schriftgeleerden.
17En toen Hij van de schare in huis gekomen was, vraagden Hem Zijn discipelen van de gelijkenis.
10En Hij zeide tot hen: Zo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar, totdat gij van daar uitgaat.
34En ziet, de gehele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij Hem zagen, baden zij, dat Hij uit hun landpalen wilde vertrekken.
9En als Hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef Hij in Galilea.
9En van daar voortgaande, kwam Hij in hun synagoge.
22En zij, dit horende, verwonderden zich, en Hem verlatende, zijn zij weggegaan.
37En het gerucht van Hem ging uit in alle plaatsen des omliggenden lands.
43En na de twee dagen ging Hij van daar en ging heen naar Galilea;
19Want de man is niet in zijn huis, hij is een verren weg getogen;
6En als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip; maar zijlieden keerden wederom, elk naar het zijne.
44Dan zegt hij: Ik zal wederkeren in mijn huis, van waar ik uitgegaan ben; en komende, vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.
53Aangaande de krijgslieden, een iegelijk had geroofd voor zichzelven.
17En dit gerucht van Hem ging uit in geheel Judea, en in al het omliggende land.
19En Judas Iskariot, die Hem ook verraden heeft.
8Voorbijgaande op de straat, nevens haar hoek, en hij trad op den weg van haar huis.