Jozua 12:23

Statenvertaling (States Bible)

De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Joz 11:2 : 2 En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;
  • Joz 17:11 : 11 Want Manasse had, in Issaschar en in Aser, Beth-Sean en haar onderhorige plaatsen, en Jibleam en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te En-Dor en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Thaanach en haar onderhorige plaatsen, en de inwoners te Megiddo en haar onderhorige plaatsen: drie landstreken.
  • Jes 9:1 : 1 Het volk, dat in duisternis wandelt, zal een groot licht zien; degenen, die wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.
  • Gen 14:1-2 : 1 En het geschiedde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedor-Laomer, de koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken; 2 Dat zij krijg voerden met Bera, koning van Sodom, en met Birsa, koning van Gomorra, Sinab, koning van Adama, en Semeber, koning van Zeboim, en de koning van Bela, dat is Zoar.
  • Joz 4:19 : 19 Het volk nu was den tiende der eerste maand uit de Jordaan opgeklommen; en zij legerden zich te Gilgal, aan het oosteinde van Jericho.
  • Joz 5:9-9 : 9 Verder sprak de HEERE tot Jozua: Heden heb Ik den smaad van Egypte van ulieden afgewenteld; daarom noemde men den naam dier plaats Gilgal, tot op dezen dag. 10 Terwijl de kinderen Israels te Gilgal gelegerd lagen, zo hielden zij het pascha op den veertienden dag derzelver maand, in den avond, op de vlakke velden van Jericho.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 24De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.

  • Joz 12:9-22
    14 verzen
    85%

    9De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;

    10De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;

    11De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;

    12De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een;

    13De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;

    14De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;

    15De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;

    16De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;

    17De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;

    18De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;

    19De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;

    20De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;

    21De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;

    22De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;

  • Joz 11:1-2
    2 verzen
    71%

    1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,

    2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;

  • 11Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaan,

  • 1Dit nu zijn de koningen des lands, die de kinderen Israels geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon, en het ganse vlakke veld tegen het oosten:

  • 23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,

  • Richt 12:8-9
    2 verzen
    66%

    8En na hem richtte Israel Ebzan, van Bethlehem.

    9En hij had dertig zonen; en hij zond dertig dochteren naar buiten, en bracht dertig dochteren van buiten in voor zijn zonen; en hij richtte Israel zeven jaren.

  • 32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;

  • 3En na hem stond op Jair, de Gileadiet; en hij richtte Israel twee en twintig jaren.

  • 22En allen koningen van Tyrus, en allen koningen van Sidon; en den koningen der eilanden, die aan gene zijde der zee zijn.

  • 65%

    12Als gij nu zaagt, dat Nahas, de koning van de kinderen Ammons, tegen u kwam, zo zeidet gij tot mij: Neen, maar een koning zal over ons regeren; zo toch de HEERE, uw God, uw Koning was.

    13En nu, ziet daar den koning, dien gij verkoren hebt, dien gij begeerd hebt; en ziet, de HEERE heeft een koning over ulieden gezet.

  • 23En dit zijn de getallen der hoofden dergenen, die toegerust waren ten heire, die tot David te Hebron kwamen, om het koninkrijk van Saul tot hem te wenden, naar den mond des HEEREN:

  • 20En den gansen gemengden hoop, en allen koningen des lands van Uz; en allen koningen van der Filistijnen land, en Askelon, en Gaza, en Ekron, en het overblijfsel van Asdod;

  • 29En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan.

  • 39Uria, de Hethiet, zeven en dertig in alles.

  • 1En het geschiedde in de dagen van Amrafel, de koning van Sinear, van Arioch, de koning van Ellasar, van Kedor-Laomer, de koning van Elam, en van Tideal, den koning der volken;

  • 31Het vier en twintigste voor Romamthi-Ezer; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.

  • 25En allen koningen van Zimri, en allen koningen van Elam, en allen koningen van Medie;

  • 17Het een en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul,

  • 23In het een en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Omri koning over Israel, en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren.

  • 36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.

  • 23En van den stam van Dan, Elteke en haar voorsteden, Gibbethon en haar voorsteden;

  • 1Toen zond de koning henen, en tot hem verzamelden al de oudsten van Juda en Jeruzalem.

  • 30Met al zijn koninkrijk, en zijn macht, en de tijden, die over hem verlopen zijn, en over Israel, en over al de koninkrijken der landen.

  • 19Geber, de zoon van Uri, was in het land Gilead, het land van Sihon, den koning der Amorieten, en van Og, den koning van Basan, en hij was de enige bestelmeester, die in dat land was.

  • 51En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.

  • 12Ik, prediker, was koning over Israel te Jeruzalem.

  • 23Hij vermenigvuldigt de volken, en verderft ze; Hij breidt de volken uit, en leidt ze.

  • 2De koning dan zeide tot Joab, den krijgsoverste, die bij hem was: Trek nu om, door alle stammen van Israel, van Dan tot Ber-seba toe, en tel het volk, opdat ik het getal des volks wete.

  • 21De kinderen van Bethlehem, honderd drie en twintig.

  • Joz 19:44-45
    2 verzen
    64%

    44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,

    45En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,