Jozua 12:22

Statenvertaling (States Bible)

De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Joz 19:37 : 37 En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,
  • Joz 21:32 : 32 En van den stam van Nafthali, de vrijstad des doodslagers, Kedes in Galilea, en haar voorsteden, en Hammoth-Dor en haar voorsteden, en Karthan en haar voorsteden: drie steden.
  • 1 Sam 25:2 : 2 En er was een man te Maon, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drie duizend schapen, en duizend geiten; en hij was in het scheren zijner schapen te Karmel.
  • Jes 35:2 : 2 Zij zal lustig bloeien, en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen; de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sieraard van Karmel en Saron; zij zullen zien de heerlijkheid des HEEREN, het sieraad onzes Gods.
  • Joz 20:7 : 7 Toen heiligden zij Kedes in Galilea, op het gebergte van Nafthali, en Sichem op het gebergte van Efraim, en Kirjath-Arba, deze is Hebron, op het gebergte van Juda.
  • Joz 15:23 : 23 En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
  • Joz 15:55 : 55 Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
  • Joz 19:11 : 11 En hun landpale gaat opwaarts naar het westen en Mar-ala, en reikt tot Dabbaseth, en reikt tot aan de beek, die voor aan Jokneam is.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Joz 12:8-21
    14 verzen
    86%

    8Wat op het gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de aflopingen der wateren, en in de woestijn, en tegen het zuiden was: de Hethieten, de Amorieten, en Kanaanieten, de Ferezieten, de Hevieten, en de Jebusieten.

    9De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;

    10De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;

    11De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;

    12De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een;

    13De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;

    14De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;

    15De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;

    16De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;

    17De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;

    18De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;

    19De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;

    20De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;

    21De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;

  • Joz 12:23-24
    2 verzen
    84%

    23De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;

    24De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.

  • Joz 11:1-2
    2 verzen
    72%

    1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,

    2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;

  • 23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,

  • Joz 19:26-27
    2 verzen
    70%

    26En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-Libnath;

    27En wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-Dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftha-El noordwaarts naar Beth-Emek, en Nehiel, en komt uit tot Kabul ter linkerhand;

  • 37En Kedes, en Edrei, en En-Hazor,

  • 1Dit nu zijn de koningen des lands, die de kinderen Israels geslagen hebben, en hun land erfelijk bezaten, aan gene zijde van de Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon, en het ganse vlakke veld tegen het oosten:

  • 11Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaan,

  • 12Baana, de zoon van Ahilud, had Taanach, en Megiddo, en het ganse Beth-Sean, hetwelk is bij Zartana, beneden van Jizreel, van Beth-Sean aan tot Abel-Mehola, tot op gene zijde van Jokmeam.

  • 22Daartoe Jokim, en de mannen van Chozeba, en Joas, en Saraf (die over de Moabieten geheerst hebben) en de Jasubilehem; doch deze dingen zijn oud.

  • 9De zoon van Deker in Makaz, en in Saalbim, en Beth-Semes, en Elon-Beth-hanan.

  • 22En Kibzaim en haar voorsteden, en Beth-horon en haar voorsteden: vier steden.

  • 29En hij zette het ene te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan.

  • Joz 15:55-56
    2 verzen
    66%

    55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,

    56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,

  • 44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,

  • 32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.

  • 15De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai, de Nethofathiet, van Othniel; in zijn verdeling waren er ook vier en twintig duizend.

  • 27De mannen van Michmas, honderd twee en twintig.

  • 32De mannen van Beth-El en Ai, honderd drie en twintig;

  • 38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,

  • 41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.

  • 3En na hem stond op Jair, de Gileadiet; en hij richtte Israel twee en twintig jaren.

  • 21Van Hilkia, Hasabja; van Jedaja, Nethaneel.

  • 29Alzo toog de koning van Israel en Josafat, de koning van Juda, op naar Ramoth in Gilead.

  • Joz 13:18-19
    2 verzen
    65%

    18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,

    19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,

  • 6En Beth-Lebaoth, en Saruhen; dertien steden en haar dorpen.

  • 11Attai de zesde; Eliel de zevende;

  • 8En na hem richtte Israel Ebzan, van Bethlehem.

  • 6Elkana, en Jissia, en Azareel, en Joezer, en Jasobam, de Korahieten;