Jozua 12:24
De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.
De koning van Thirza, een. Al deze koningen zijn een en dertig.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
9De koning van Jericho, een; de koning van Ai, die ter zijde van Beth-El is, een;
10De koning van Jeruzalem, een; de koning van Hebron, een;
11De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;
12De koning van Eglon, een; de koning Gezer, een;
13De koning van Debir, een; de koning van Geder, een;
14De koning van Horma, een; de koning van Harad, een;
15De koning van Libna, een; de koning van Adullam, een;
16De koning van Makkeda, een; de koning van Beth-El, een;
17De koning van Tappuah, een; de koning van Hefer, een;
18De koning van Afek, een; de koning van Lassaron, een;
19De koning van Madon, een; de koning van Hazor, een;
20De koning van Simron-Meron, een; de koning van Achsaf, een;
21De koning van Taanach, een; de koning van Megiddo, een;
22De koning van Kedes, een; de koning van Jokneam, aan den Karmel, een;
23De koning van Dor, tot Nafath-Dor, een; de koning der heidenen te Gilgal, een;
22En allen koningen van Tyrus, en allen koningen van Sidon; en den koningen der eilanden, die aan gene zijde der zee zijn.
23In het een en dertigste jaar van Asa, den koning van Juda, werd Omri koning over Israel, en regeerde twaalf jaren; te Thirza regeerde hij zes jaren.
17En Omri toog op, en gans Israel met hem van Gibbethon, en belegerde Thirza.
15In het zeven en twintigste jaar van Asa, den koning van Juda, regeerde Zimri zeven dagen te Thirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon, dat der Filistijnen is.
30Het drie en twintigste voor Mahazioth; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
31Het vier en twintigste voor Romamthi-Ezer; zijn zonen en zijn broederen, twaalf.
12Ook was de hand Gods in Juda, hun enerlei hart gevende, dat zij het gebod des konings en der vorsten deden, naar het woord des HEEREN.
39Uria, de Hethiet, zeven en dertig in alles.
34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.
25En allen koningen van Zimri, en allen koningen van Elam, en allen koningen van Medie;
1Het geschiedde daarna, als Jabin, de koning van Hazor, dit hoorde, zo zond hij tot Jobab, den koning van Madon, en tot den koning van Simron, en tot den koning van Achsaf,
2En tot de koningen, die tegen het noorden op het gebergte, en op het vlakke, tegen het zuiden van Cinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor, aan de zee waren;
33In het derde jaar van Asa, koning van Juda, werd Baesa, de zoon van Ahia, koning over gans Israel, te Thirza, en regeerde vier en twintig jaren.
11Sihon, den koning der Amorieten, en Og, den koning van Basan, en al de koninkrijken van Kanaan,
24Want hij had heerschappij over al wat op deze zijde der rivier was van Thifsah tot aan Gaza, over alle koningen op deze zijde der rivier; en hij had vrede van al zijn zijden rondom.
14En tien vorsten met hem, van ieder vaderlijk huis een vorst, uit al de stammen van Israel; en zij waren een ieder een hoofd van het huis hunner vaderen over de duizenden van Israel.
1Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en regeerde een en dertig jaren te Jeruzalem.
33En twee en zeventig duizend runderen;
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
44Dezen zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aaron, en de oversten van Israel; twaalf mannen waren zij, elk over het huis zijner vaderen.
29Toen zond de koning henen, en verzamelde alle oudsten van Juda en Jeruzalem.
24Daarom doe deze zaak: Doe de koningen weg, elkeen uit zijn plaats, en stel landvoogden in hun plaats.
1Toen zond de koning henen, en tot hem verzamelden al de oudsten van Juda en Jeruzalem.
10Waar is uw koning nu? Dat hij u behoude in al uw steden! En uw richters, waar gij van zeidet: Geef mij een koning en vorsten?
20En het geschiedde, als gans Israel hoorde, dat Jerobeam wedergekomen was, dat zij henen zonden, en hem in de vergadering riepen, en hem over gans Israel koning maakten; niemand volgde het huis Davids, dan de stam van Juda alleen.
7En zij kwamen tot de vesting van Tyrus, en alle steden der Hevieten en der Kanaanieten; en zij kwamen uit aan het zuiden van Juda te Ber-seba.
8Alzo togen zij om door het ganse land; en ten einde van negen maanden en twintig dagen kwamen zij te Jeruzalem.
17Het een en twintigste voor Jachin, het twee en twintigste voor Gamul,
18Het drie en twintigste voor Delaja, het vier en twintigste voor Maazja.
39En de ezelen waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor den HEERE was een en zestig.
31De koning nu van Syrie had geboden aan de oversten der wagenen, van welke hij twee en dertig had, zeggende: Gij zult noch kleinen noch groten bestrijden, maar den koning van Israel alleen.
30Met al zijn koninkrijk, en zijn macht, en de tijden, die over hem verlopen zijn, en over Israel, en over al de koninkrijken der landen.
12Het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakim,
44En de runderen waren zes en dertig duizend;