Numeri 31:33

Statenvertaling (States Bible)

En twee en zeventig duizend runderen;

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 31:43-46
    4 verzen
    91%

    43(Het halve deel nu der vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd;

    44En de runderen waren zes en dertig duizend;

    45En de ezelen dertig duizend en vijfhonderd;

    46En der mensen zielen zestien duizend;)

  • Num 31:34-40
    7 verzen
    89%

    34En een en zestig duizend ezelen;

    35En der mensen zielen, uit de vrouwen, die geen bijligging des mans bekend hadden, alle zielen waren twee en dertig duizend.

    36En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen.

    37En de schatting voor den HEERE van schapen was zeshonderd vijf en zeventig.

    38En de runderen waren zes en dertig duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en zeventig.

    39En de ezelen waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor den HEERE was een en zestig.

    40En der mensen zielen waren zestien duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en dertig zielen.

  • 32De buit nu, het overschot van den roof, dat het krijgsvolk geroofd had, was zeshonderd vijf en zeventig duizend schapen;

  • 81%

    32En het getal der brandofferen, die de gemeente bracht, was zeventig runderen, honderd rammen, tweehonderd lammeren; deze alle den HEERE ten brandoffer.

    33Nog waren der geheiligde dingen zeshonderd runderen en drie duizend schapen.

  • Gen 32:14-15
    2 verzen
    80%

    14Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;

    15Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.

  • Ezra 2:66-67
    2 verzen
    77%

    66Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;

    67Hun kemelen, vierhonderd vijf en dertig; de ezelen, zes duizend zevenhonderd en twintig.

  • Neh 7:68-69
    2 verzen
    76%

    68Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;

    69Kemelen, vierhonderd vijf en dertig; ezelen, zes duizend, zevenhonderd en twintig.

  • Num 31:26-28
    3 verzen
    76%

    26Neem op de som van den buit der gevangenen van mensen en van beesten; gij en Eleazar, de priester, en de hoofden van de vaderen der vergadering.

    27En deel den buit in twee helften tussen degenen, die den strijd aangegrepen hebben, die tot den strijd uitgegaan zijn, en tussen de ganse vergadering.

    28Daarna zult gij een schatting voor den HEERE heffen, van de oorlogsmannen, die tot dezen krijg uitgetogen zijn, van vijfhonderd een ziel, uit de mensen en uit de runderen, en uit de ezelen, en uit de schapen.

  • 23Tien vette runderen, en twintig weiderunderen, en honderd schapen; uitgenomen de herten, en reeen, en buffelen, en gemeste vogelen.

  • 21En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kemelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezelen, en honderd duizend zielen der mensen.

  • 11En zij offerden den HEERE ten zelfden dage van den roof, dien zij gebracht hadden, zevenhonderd runderen en zeven duizend schapen.

  • 8En hij telde hen te Bezek; en van de kinderen Israels waren driehonderd duizend, en van de mannen van Juda dertig duizend.

  • 5Alzo werden geleverd uit de duizenden van Israel, duizend van elken stam, twaalf duizend toegerusten ten strijde.

  • 87Al de runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen, twaalf eenjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitenbokken ten zondoffer.

  • 37En van gene zijde van de Jordaan, van de Rubenieten, en Gadieten, en den halven stam van Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorlog, honderd en twintigduizend.

  • 46Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • 30Maar van de helft der kinderen Israels zult gij een gevangene van vijftig nemen, uit de mensen, uit de runderen, uit de ezelen, en uit de schapen, uit al de beesten; en gij zult ze aan de Levieten geven, die de wacht van de tabernakel des HEEREN waarnemen.

  • 31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.

  • 20En op den dertienden dag: elf varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;

  • 11En zij namen al den roof, en al den buit, van mensen en van beesten.

  • 23Zijn heir nu, en zijn getelden waren vijf en dertig duizend en vierhonderd.

  • 51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.

  • 29Daarna op den zesden dag: acht varren, twee rammen, veertien volkomen eenjarige lammeren;

  • 15Een zee, en de twaalf runderen daaronder.

  • 6De koning Salomo nu, en de ganse vergadering van Israel, die bij hem vergaderd waren voor de ark, offerden schapen en runderen, die vanwege de menigte niet konden geteld noch gerekend worden.

  • 12En de HEERE zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kemelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen.

  • 34En uit Nafthali, duizend oversten, en bij hen met rondas en spies, zeven en dertig duizend.

  • 5En Joab gaf David de som van het gestelde volk; en gans Israel was elfhonderd duizend man, die het zwaard uittrokken, en Juda vierhonderd duizend, en zeventig duizend man, die het zwaard uittrokken.

  • 26Salomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijn wagenen, en twaalf duizend ruiteren.

  • 4Zijn heir nu, en zijn getelden waren vier en zeventig duizend en zeshonderd.

  • 44Daartoe de ene zee; en de twaalf runderen onder die zee.

  • 32Dezen zijn de getelden van de kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; al de getelden der legers, naar hun heiren waren, zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • 11En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zeven duizend en zevenhonderd rammen, en zeven duizend en zevenhonderd bokken.

  • 30Zijn heir nu, en zijn getelden waren drie en vijftig duizend en vierhonderd.