Numeri 31:34

Statenvertaling (States Bible)

En een en zestig duizend ezelen;

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Num 31:35-40
    6 verzen
    89%

    35En der mensen zielen, uit de vrouwen, die geen bijligging des mans bekend hadden, alle zielen waren twee en dertig duizend.

    36En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getal driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd schapen.

    37En de schatting voor den HEERE van schapen was zeshonderd vijf en zeventig.

    38En de runderen waren zes en dertig duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en zeventig.

    39En de ezelen waren dertig duizend en vijfhonderd, en hun schatting voor den HEERE was een en zestig.

    40En der mensen zielen waren zestien duizend, en hun schatting voor den HEERE twee en dertig zielen.

  • Num 31:43-46
    4 verzen
    88%

    43(Het halve deel nu der vergadering was, uit de schapen, driehonderd zeven en dertig duizend en vijfhonderd;

    44En de runderen waren zes en dertig duizend;

    45En de ezelen dertig duizend en vijfhonderd;

    46En der mensen zielen zestien duizend;)

  • Num 31:32-33
    2 verzen
    86%

    32De buit nu, het overschot van den roof, dat het krijgsvolk geroofd had, was zeshonderd vijf en zeventig duizend schapen;

    33En twee en zeventig duizend runderen;

  • Ezra 2:66-67
    2 verzen
    81%

    66Hun paarden waren zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;

    67Hun kemelen, vierhonderd vijf en dertig; de ezelen, zes duizend zevenhonderd en twintig.

  • Gen 32:14-15
    2 verzen
    80%

    14Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen;

    15Dertig zogende kemelinnen met haar veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels.

  • Neh 7:68-69
    2 verzen
    78%

    68Hun paarden, zevenhonderd zes en dertig; hun muildieren, tweehonderd vijf en veertig;

    69Kemelen, vierhonderd vijf en dertig; ezelen, zes duizend, zevenhonderd en twintig.

  • 26En zij laadden hun koren op hun ezels, en togen van daar.

  • 21En zij voerden hun vee gevankelijk weg; van hun kemelen vijftig duizend, en tweehonderd en vijftig duizend schapen, en twee duizend ezelen, en honderd duizend zielen der mensen.

  • 28Daarna zult gij een schatting voor den HEERE heffen, van de oorlogsmannen, die tot dezen krijg uitgetogen zijn, van vijfhonderd een ziel, uit de mensen en uit de runderen, en uit de ezelen, en uit de schapen.

  • 33Nog waren der geheiligde dingen zeshonderd runderen en drie duizend schapen.

  • 71%

    15En hij vond een vochtig ezelskinnebakken, en hij strekte zijn hand uit, en nam het, en sloeg daarmede duizend man.

    16Toen zeide Simson: Met een ezelskinnebakken, een hoop, twee hopen, met een ezelskinnebakken heb ik duizend man geslagen.

  • 43En die man brak gans zeer uit in menigte, en hij had vele kudden, en dienstmaagden, en dienstknechten, en kemelen, en ezelen.

  • 27Waren hun getelden van den stam van Juda vier en zeventig duizend en zeshonderd.

  • 12En de HEERE zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertien duizend schapen, en zes duizend kemelen, en duizend juk runderen, en duizend ezelinnen.

  • 51Dat zijn de getelden van de zonen Israels: zeshonderd een duizend zevenhonderd en dertig.

  • 6De last der beesten, van het zuiden, naar het land des angstes, en der benauwdheid, van waar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en de vurige vliegende draak; hun goederen zullen zij voeren op den rug der veulens, en hun schatten op de bulten der kemelen, tot het volk, dat hun geen nut doen zal.

  • 28Hun schapen, en hun runderen, en hun ezelen, en hetgeen dat in de stad, en hetgeen dat in het veld was, namen zij.

  • 23En zijn vader desgelijks zond hij tien ezelen, dragende van het beste van Egypte, en tien ezelinnen, dragende koren, en brood, en spijze voor zijn vader op den weg.

  • 46Al de getelden dan waren zeshonderd drie duizend vijfhonderd en vijftig.

  • 41Waren hun getelden van den stam van Aser een en veertig duizend en vijfhonderd.

  • 16En hij zal uw knechten, en uw dienstmaagden, en uw beste jongelingen, en uw ezelen nemen, en hij zal zijn werk daarmede doen.

  • 31Waren hun getelden van den stam van Zebulon zeven en vijftig duizend en vierhonderd.

  • 26Salomo had ook veertig duizend paardenstallen tot zijn wagenen, en twaalf duizend ruiteren.

  • 27Verder sprak hij tot zijn zonen, zeggende: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem.

  • 30Maar van de helft der kinderen Israels zult gij een gevangene van vijftig nemen, uit de mensen, uit de runderen, uit de ezelen, en uit de schapen, uit al de beesten; en gij zult ze aan de Levieten geven, die de wacht van de tabernakel des HEEREN waarnemen.

  • 3Des morgens, als het licht werd, zo liet men deze mannen trekken, hen en hun ezelen.

  • 13Toen zeide hij tot zijn zonen: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem den ezel, en hij reed daarop.

  • 3De ezelinnen nu van Kis, den vader van Saul, waren verloren; daarom zeide Kis tot zijn zoon Saul: Neem nu een van de jongens met u, en maak u op, ga heen, zoek de ezelinnen.

  • 33Maar de ezelin heeft Mij gezien, en zij is nu driemaal voor Mijn aangezicht geweken; indien zij voor Mijn aangezicht niet geweken ware, zekerlijk Ik zoude u nu ook gedood, en haar bij het leven behouden hebben.

  • 7En hij zag een wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, een wagen met kemels; en hij merkte zeer nauw op, met grote opmerking.

  • 15Alzo zal ook de plage der paarden, der muildieren, der kemelen, en der ezelen, en aller beesten zijn, die in diezelve heirlegers geweest zullen zijn, gelijk gener plage geweest is.

  • 23Tien vette runderen, en twintig weiderunderen, en honderd schapen; uitgenomen de herten, en reeen, en buffelen, en gemeste vogelen.

  • 4En hij had dertig zonen, rijdende op dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-Jair, tot op dezen dag, dewelke in het land van Gilead zijn.