Jozua 15:39
Lachis, en Bozkath, en Eglon,
Lachis, en Bozkath, en Eglon,
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
35Jarmuth, en Adullam, Socho en Azeka,
36En Saaraim, en Adithaim, en Gedera, en Gederothaim; veertien steden en haar dorpen.
37Zenan, en Hadasa, en Migdal-gad,
38En Dilan, en Mizpa, en Jokteel,
40En Chabbon, en Lahmas, en Chitlis,
41En Gederoth, Beth-Dagon, en Naama, en Makkeda; zestien steden en haar dorpen.
42Libna, en Ether, en Asan,
43En Jiftah, en Asna, en Nezib,
44En Kehila, en Achzib, en Mareza; negen steden en haar dorpen.
45Ekron, en haar onderhorige plaatsen, en haar dorpen.
46Van Ekron, en naar de zee toe; alle, die aan de zijde van Asdod zijn, en haar dorpen;
8En Gath, en Maresa, en Zif,
9En Adoraim, en Lachis, en Azeka,
10En Zora, en Ajalon, en Hebron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.
34En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en gans Israel met hem; en zij belegerden haar en krijgden tegen haar.
35En zij namen haar in ten zelven dage, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was, verbande hij op denzelven dag, naar alles, wat hij aan Lachis gedaan had.
36Daarna toog Jozua op, en gans Israel met hem; van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar.
58Halhul, Beth-Zur, en Gedor,
59En Maarath, en Beth-Anoth, en Eltekon; zes steden en haar dorpen.
42En Saalabbin, en Ajalon, en Jithla,
43En Elon, en Timnatha, en Ekron,
44En Elteke, en Gibbethon, en Baalath,
45En Jehud, en Bene-Berak, en Gath-Rimmon,
23En Kedes, en Hazor, en Jithnan,
24Zif, en Telem, en Bealoth,
25En Hazor-Hadattha, en Kerioth-Hezron, dat is Hazor,
26Amam, en Sema, en Molada,
27En Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Palet,
28En Hazar-Sual, en Beer-Seba, en Bizjotheja,
29Baala, en Ijim, en Azem,
30En Eltholad, en Chesil, en Horma,
31En Ziklag, en Madmanna, en Sanzanna,
32En Lebaoth, en Silhim, en Ain, en Rimmon. Al deze steden zijn negen en twintig en haar dorpen.
33In de laagte zijn: Esthaol, en Zora, en Asna,
11De koning van Jarmuth, een; de koning van Lachis, een;
34Hadid, Zeboim, Neballat,
35Lod, en Ono, in het dal der werkmeesters.
30Zanoah, Adullam en haar dorpen, Lachis en haar akkers, Azeka en haar onderhorige plaatsen; en zij legerden zich van Ber-seba af tot aan het dal Hinnom.
55Maon, Karmel, en Zif, en Juta,
56En Jizreel, en Jokdeam, en Zanoah,
31Toen toog Jozua voort, en gans Israel met hem, van Libna naar Lachis; en hij belegerde haar en krijgde tegen haar.
32En de HEERE gaf Lachis in de hand van Israel; en hij nam haar in op den tweeden dag, en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziel, die daarin was, naar alles, wat hij aan Libna gedaan had.
51En Gosen, en Holon, en Gilo; elf steden en haar dorpen.
52Arab, en Duma, en Esan,
53En Janum, en Beth-Tappuah, en Afeka,
48Op het gebergte nu: Samir, en Jatthir, en Socho,
49En Danna, en Kirjath-Sanna, die is Debir,
5En Ziklag, en Beth-hammerchaboth, en Hazar-Suza,
19En Kirjathaim, en Sibma, en Zeret-Hassahar op den berg des dals,
15En Kattath, en Nahalal, en Simron, en Jidala, en Bethlehem; twaalf steden en haar dorpen.