Leviticus 17:2
Spreek tot Aaron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen: Dit is het woord, hetwelk de HEERE geboden heeft, zeggende:
Spreek tot Aaron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen: Dit is het woord, hetwelk de HEERE geboden heeft, zeggende:
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
17Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
18Spreek tot Aaron, en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels, en zeg tot hen: Zo wie uit het huis van Israel, en uit de vreemdelingen in Israel is, die zijn offerande zal offeren naar al hun geloften, en naar al hun vrijwillige offeren, die zij den HEERE ten brandoffer zullen offeren;
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2Spreek tot Aaron en tot zijn zonen, dat zij zich van de heilige dingen der kinderen Israels, die zij Mij heiligen, afzonderen, opdat zij de Naam Mijner heiligheid niet ontheiligen: Ik ben de HEERE!
1En de HEERE sprak tot Mozes, en tot Aaron, zeggende tot hen:
1Wijders sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
8En de HEERE sprak tot Aaron, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
17En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
1En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
4Verder sprak Mozes tot de ganse vergadering der kinderen Israels, zeggende: Dit is het woord, dat de HEERE geboden heeft, zeggende:
11En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
22En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
23Spreek tot Aaron en zijn zonen, zeggende: Alzo zult gijlieden de kinderen Israels zegenen, zeggende tot hen:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
24En Mozes sprak zulks tot Aaron en tot zijn zonen, en tot al de kinderen Israels.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Ik ben de HEERE, uw God!
8Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
12Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
17Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
5Toen zeide Mozes tot de vergadering: Dit is de zaak, die de HEERE geboden heeft te doen.
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
24Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
35Gij zult dan aan Aaron en aan zijn zonen alzo doen, naar alles, wat Ik u geboden heb; zeven dagen zult gij hun hand vullen.
16Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
5En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
19Wijders sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Zo zeide de HEERE tot Aaron: Gij, en uw zonen, en het huis uws vaders met u, zult dragen de ongerechtigheid des heiligdoms; en gij, en uw zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid van uw priesterambt.
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Toen sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
8Voorts sprak de HEERE tot Aaron: En Ik, zie, Ik heb u gegeven de wacht Mijner hefofferen, met alle heilige dingen van de kinderen Israels heb Ik ze u gegeven, om der zalving wil, en aan uw zonen, tot een eeuwige inzetting.
22Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
11Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
33Verder sprak de HEERE tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
36Aaron nu en zijn zonen deden al de dingen, die de HEERE door den dienst van Mozes geboden had.
2Spreek tot de kinderen Israels, en zeg tot hen: Als een mens uit u den HEERE een offerande zal offeren, gij zult uw offeranden offeren van het vee, van runderen en van schapen.
8En de HEERE sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:
11Ook heeft de HEERE tot Mozes gesproken, zeggende:
23En de HEERE sprak tot Mozes, zeggende:
1Verder sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
2En hij zeide tot Aaron: Neem u een kalf, een jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer, die volkomen zijn; en breng ze voor het aangezicht des HEEREN.
1Daarna sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:
31En Mozes zeide tot Aaron en tot zijn zonen: Ziedt dat vlees voor de deur van de tent der samenkomst, en eet hetzelve daar, mitsgaders het brood, dat in den korf des vuloffers is; gelijk als ik geboden heb, zeggende: Aaron en zijn zonen zullen dat eten.