Numeri 21:19

Statenvertaling (States Bible)

En van Mattana tot Nahaliel; en van Nahaliel tot Bamoth;

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • 20En van Bamoth tot het dal, dat in het veld van Moab is, aan de hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet.

  • 18Gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hun staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana;

  • 21En Remeth, en En-gannim, en En-hadda, en Beth-Pazzez.

  • Joz 19:11-14
    4 verzen
    72%

    11En hun landpale gaat opwaarts naar het westen en Mar-ala, en reikt tot Dabbaseth, en reikt tot aan de beek, die voor aan Jokneam is.

    12En zij wendt zich van Sarid oostwaarts tegen den opgang der zon, tot de landpale van Chisloth-Thabor, en zij komt uit te Dobrath, en gaat opwaarts naar Jafia.

    13En van daar gaat zij oostwaarts door naar den opgang, naar Gath-Hefer, te Eth-Kazin, en zij komt uit te Rimmon-Methoar, hetwelk is Nea.

    14En deze landpale keert zich om tegen het noorden naar Hannathon, en haar uitgangen zijn het dal van Jiftah-El.

  • Num 21:11-13
    3 verzen
    72%

    11Daarna reisden zij van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, tegen den opgang der zon.

    12Van daar reisden zij, en legerden zich bij de beek Zered.

    13Van daar reisden zij, en legerden zich aan deze zijde van de Arnon, welke in de woestijn is, uitgaande uit de landpalen der Amorieten; want de Arnon is de landpale van Moab, tussen Moab en tussen de Amorieten.

  • Joz 13:17-18
    2 verzen
    72%

    17Hesbon en al haar steden, die in het vlakke land zijn, Dibon, en Bamoth-Baal, en Beth-Baal-meon,

    18En Jahza, en Kedemoth, en Mefaath,

  • Num 21:15-16
    2 verzen
    72%

    15En den afloop der beken, die zich naar de gelegenheid van Ar wendt, en leent aan de landpale van Moab.)

    16En van daar reisden zij naar Beer. Dit is de put, van welken de HEERE tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zo zal Ik hun water geven.

  • 26En van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Betonim; en van Mahanaim tot aan de landpale van Debir;

  • 20En Beth-Peor, en Asdoth-Pisga, en Beth-Jesimoth;

  • Joz 19:26-27
    2 verzen
    71%

    26En Allammelech, en Am-ad, en Mis-al; en zij reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sichor-Libnath;

    27En wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-Dagon, en reikt aan Zebulon, en aan het dal Jiftha-El noordwaarts naar Beth-Emek, en Nehiel, en komt uit tot Kabul ter linkerhand;

  • Jer 48:21-23
    3 verzen
    71%

    21En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Holon, en over Jahza, en over Mefaath.

    22En over Dibon, en over Nebo, en over Beth-Diblathaim,

    23En over Kirjathaim, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,

  • 29En Ik zeide tot hen: Wat is die hoogte, waarhenen gij gaat? Nochtans is de naam daarvan genoemd hoogte, tot op dezen dag toe.

  • Num 33:47-49
    3 verzen
    70%

    47En zij verreisden van Almon-Diblathaim, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.

    48En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabieten, aan de Jordaan van Jericho.

    49En zij legerden zich aan de Jordaan van Beth-Jesimoth, tot aan Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabieten.

  • 18Daarna wandelde hij in de woestijn, en toog om het land der Edomieten en het land der Moabieten, en kwam van den opgang der zon aan het land der Moabieten, en zij legerden zich op gene zijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen de landpale der Moabieten; want de Arnon is de landpale der Moabieten.

  • 3En over het vlakke veld tot aan de zee van Cinneroth tegen het oosten, en tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, tegen het oosten, op den weg naar Beth-Jesimoth; en van het zuiden beneden Asdoth-Pisga.

  • Joz 18:17-18
    2 verzen
    69%

    17En strekt zich van het noorden, en gaat uit te En-semes; van daar gaat zij uit naar Geliloth, welke is tegenover den opgang naar Adummim, en zij gaat af aan den steen van Bohan, den zoon van Ruben;

    18En gaat door ter zijde tegenover Araba naar het noorden, en gaat af te Araba.

  • 9Van Aroer aan, die aan den oever der beek Arnon is, en de stad, die in het midden der beek is, en al het vlakke land van Medeba tot Dibon toe;

  • 26En te Jesua, en te Molada, en te Beth-Pelet,

  • 22En Beth-araba, en Zemaraim, en Beth-El,

  • 33En zij verreisden van Hor-gidgad, en legerden zich in Jotbatha.

  • 3Ataroth, en Dibon, en Jaezer, en Nimra, en Hesbon, en Eleale, en Schebam, en Nebo, en Behon;

  • 41En het geschiedde des morgens, dat Balak Bileam nam, en voerde hem op de hoogten van Baal, dat hij van daar zag het uiterste des volks.

  • 38En Jiron, en Migdal-El, Horem en Beth-Anath, en Beth-Semes; negentien steden en haar dorpen.

  • 34Hadid, Zeboim, Neballat,

  • 1Daarna reisden de kinderen van Israel, en legerden zich in de vlakken velden van Moab, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho.

  • 31En zij verreisden van Moseroth, en legerden zich in Bene-Jaakan.

  • 33En hun landpale is van Helef, van Allon tot Zaanannim, en Adami-Nekeb, en Jabneel, tot Lakkum; en haar uitgangen zijn aan de Jordaan.

  • 21Alzo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot Rechob toe, waar men gaat naar Hamath.

  • 7En komt af van Janoah naar Ataroth en Naharoth, en stoot aan Jericho, en gaat uit aan de Jordaan.

  • 30En wij hebben hen nedergeveld! Hesbon is verloren tot Dibon toe; en wij hebben hen verwoest tot Nofat toe, welke tot Medeba toe reikt.

  • 7Van daar reisden zij naar Gudgod, en van Gudgod naar Jotbath, een land van waterbeken.)

  • 44En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen van Abarim, in de landpale van Moab.

  • 19En Hafaraim, en Sion, en Anacharath,

  • 28Toen nam Balak Bileam mede tot de hoogte van Peor, die tegen de woestijn ziet.

  • 61In de woestijn: Beth-araba, Middin en Sechacha,

  • 26Amam, en Sema, en Molada,