Spreuken 30:13
Een geslacht, welks ogen hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn;
Een geslacht, welks ogen hoog zijn, en welks oogleden verheven zijn;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
11Daar is een geslacht, dat zijn vader vervloekt, en zijn moeder niet zegent;
12Een geslacht, dat rein in zijn ogen is, en van zijn drek niet gewassen is;
14Een geslacht, welks tanden zwaarden, en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de mensen te verteren.
6Daarom omringt hen de hovaardij als een keten; het geweld bedekt hen als een gewaad.
7Hun ogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.
8Zij mergelen de lieden uit, en spreken boselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte.
9Zij zetten hun mond tegen den hemel, en hun tong wandelt op de aarde.
34
4Hoogheid der ogen, en trotsheid des harten, en de ploeging der goddelozen, zijn zonde.
15Dan zal de gemene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de ogen der hovaardigen zullen vernederd worden.
10Met hun vet besluiten zij zich, met hun mond spreken zij hovaardelijk.
11In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hun ogen op ons ter aarde nederbukkende.
11De hoge ogen de mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal nedergebogen worden; en de HEERE alleen zal in dien dag verheven zijn.
12Want de dag des HEEREN der heirscharen zal zijn tegen allen hovaardige en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde;
1Een lied op Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op tot U, Die in de hemelen zit.
17Het oog, dat den vader bespot, of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.
21Wee dengenen, die in hun ogen wijs, en bij zichzelven verstandig zijn!
1Een psalm van David, den knecht des HEEREN, voor den opperzangmeester.
2De overtreding des goddelozen spreekt in het binnenste van mijn hart: Er is geen vreze Gods voor zijn ogen.
1Een lied Hammaaloth, van David. O HEERE! mijn hart is niet verheven, en mijn ogen zijn niet hoog; ook heb ik niet gewandeld in dingen mij te groot en te wonderlijk.
12Waarom rukt uw hart u weg, en waarom wenken uw ogen?
10Daarom, zo zegt de Heere HEERE: Omdat gij u verheven hebt over uw stam, ja, hij stak zijn top op boven het midden der dichte takken, en zijn hart verhief zich over zijn hoogte;
1Maar nu lachen over mij minderen dan ik van dagen, welker vaderen ik versmaad zou hebben, om bij de honden mijner kudde te stellen.
2Zijn niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hunlieder verbittering?
5Bemerk den hemel en zie; en aanschouw de bovenste wolken, zij zijn hoger dan gij.
16Verder zegt de HEERE: Daarom dat de dochteren van Sion zich verheffen, en gaan met uitgestrekten hals, en lonken met de ogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en alsof haar voeten gebonden waren.
17Hoge ogen, een valse tong, en handen, die onschuldig bloed vergieten;
5En het volk zal gedrongen worden, de een zal zijn tegen den ander, en een iegelijk tegen zijn naaste; de jongeling zal stout zijn tegen den oude, de verachte tegen den eerlijke.
13Gij zijt te rein van ogen, dan dat Gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt Gij niet aanschouwen; waarom zoudt Gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt Gij zwijgen, als de goddeloze dien verslindt, die rechtvaardiger is dan hij?
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
3Nog doet Gij Uw ogen over zulk een open; en Gij betrekt mij in het gericht met U.
3En de ogen dergenen, die zien, zullen niet terugzien, en de oren dergenen, die horen, zullen opmerken.
18Er is geen vreze Gods voor hun ogen.
6De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.
6Dat is het geslacht dergenen, die naar Hem vragen, die Uw aangezicht zoeken, dat is Jakob! Sela.
28En Gij verlost het bedrukte volk; maar Uw ogen zijn tegen de hogen, Gij zult hen vernederen.
8Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hun spruiten zijn voor hun ogen.
5Ik heb gezegd tot de onzinnigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddelozen: Verhoogt den hoorn niet.
4Hebt Gij vleselijke ogen, ziet Gij, gelijk een mens ziet?
15Hoort en neemt ter ore, verheft u niet; want de HEERE heeft het gesproken.
23Stelt hem God in gerustigheid, zo steunt hij daarop; nochtans zijn Zijn ogen op hun wegen.
9Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad.
2Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almachtigen uit de hoogten?
8Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend.
11HEERE! is Uw hand verhoogd, zij zien het niet; maar zij zullen het zien, en beschaamd worden, vanwege den ijver over Uw volk, ook zal het vuur Uw wederpartijders verteren.
28Zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der bozen gaan zij te boven; de rechtzaak richten zij niet, zelfs de rechtzaak des wezen, nochtans zijn zij voorspoedig; ook oordelen zij het recht der nooddruftigen niet.
6Die zeer laag ziet, in den hemel en op de aarde.
14En tegen alle hoge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen;
3De trotsheid uws harten heeft u bedrogen; hij, die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijn hoge woning; die in zijn hart zegt: Wie zou mij ter aarde nederstoten?
4Want hun hart hebt Gij van kloek verstand verborgen; daarom zult Gij hen niet verhogen.