Spreuken 30:21

Statenvertaling (States Bible)

Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan:

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 30:18-20
    3 verzen
    78%

    18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:

    19De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.

    20Alzo is de weg ener overspelige vrouw; zij eet en wist haar mond, en zegt: Ik heb geen ongerechtigheid gewrocht!

  • Spr 30:22-24
    3 verzen
    75%

    22Om een knecht, als hij regeert; en een dwaas, als hij van brood verzadigd is;

    23Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.

    24Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.

  • 29Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken;

  • Spr 30:15-16
    2 verzen
    74%

    15De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg!

    16Het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde, die van water niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg!

  • Jes 24:17-20
    4 verzen
    71%

    17De vrees, en de kuil, en de strik over u, o inwoners des lands!

    18En het zal geschieden, zo wie voor de stem der vreze vlieden zal, die zal in den kuil vallen; en die uit den kuil opklimt, die zal in den strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fondamenten der aarde zullen beven.

    19De aarde zal ganselijk verbroken worden, de aarde zal ganselijk vaneen gescheurd worden, de aarde zal ganselijk bewogen worden.

    20De aarde zal ganselijk waggelen, gelijk een dronkaard, en zij zal heen en weder bewogen worden, gelijk een nachthut; en haar overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallen, en niet weder opstaan.

  • 6Die de aarde beweegt uit haar plaats, dat haar pilaren schudden;

  • 3Daarom zal het land treuren, en een iegelijk, die daarin woont, kwelen, met het gedierte des velds, en met het gevogelte des hemels; ja, ook de vissen der zee zullen weggeraapt worden.

  • 11De pilaren des hemels sidderen, en ontzetten zich voor Zijn schelden.

  • 4Het land treurt, het verwelkt; het aardrijk kweelt, het verwelkt; de hoogsten van het volk des lands kwelen.

  • Jer 4:23-24
    2 verzen
    69%

    23Ik zag het land aan, en ziet, het was woest en ledig; ook naar den hemel, en zijn licht was er niet.

    24Ik zag de bergen aan, en ziet, zij beefden; en al de heuvelen schudden.

  • 4Weet gij dit? Van altoos af, van dat God den mens op de wereld gezet heeft,

  • 1Ook beeft hierover mijn hart, en springt op uit zijn plaats.

  • 13Opdat hij de einden der aarde vatten zou; en de goddelozen uit haar uitgeschud zouden worden?

  • 5Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.

  • 1Ziet, de HEERE maakt het land ledig, en Hij maakt het woest; en Hij keert deszelfs gestaltenis om, en Hij verstrooit zijn inwoners.

  • 4O gij, die zijn ziel verscheurt door zijn toorn! Zal om uwentwil de aarde verlaten worden, en zal een rots versteld worden uit haar plaats?

  • Jes 21:3-4
    2 verzen
    68%

    3Daarom zijn mijn lendenen vol van grote krankheid, bange weeen hebben mij aangegrepen, gelijk de bange weeen van een, die baart; ik krom mij van horen, ik word ontsteld van het aanzien.

    4Mijn hart dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering, waar ik naar verlangd heb, stelt Hij mij tot beving.

  • 21Gaande in de reten der rotsen en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des HEEREN, en vanwege de heerlijkheid Zijner majesteit, wanneer Hij Zich opmaken zal, om de aarde geweldiglijk te verschrikken.

  • 30Een schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land.

  • 7Als mij bange was, riep ik den HEERE aan, en riep tot mijn God; Hij hoorde mijn stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijn oren.

  • 15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.

  • 8Toen daverde en beefde de aarde; de fondamenten des hemels beroerden zich, en daverden, omdat Hij ontstoken was.

  • Job 31:11-12
    2 verzen
    67%

    11Want dat is een schandelijke daad, en het is een misdaad bij de rechters.

    12Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.

  • 10Zij is geledigd, ja, uitgeledigd, uitgeput, en haar hart versmelt, en de knieen schudden, en in al de lenden is smart, en hun aller aangezichten betrekken, als een pot.

  • 4Hoe lang zal het land treuren, en het kruid des gansen velds verdorren? Vanwege de boosheid dergenen, die daarin wonen, vergaan de beesten en het gevogelte; dewijl zij zeggen: Hij ziet ons einde niet.

  • 30Schrikt voor Zijn aangezicht, gij, gehele aarde! Ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet bewogen worde.

  • 7Want het ene volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ene koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en er zullen zijn hongersnoden, en pestilentien, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.

  • 2Geef een deel aan zeven, ja, ook aan acht; want gij weet niet, wat kwaad op de aarde wezen zal.

  • 6Daarom verteert de vloek het land, en die daarin wonen, zullen verwoest worden; daarom zullen de inwoners des lands verbrand worden, en er zullen weinig mensen overblijven.

  • 16Deze zes haat de HEERE; ja, zeven zijn Zijn ziel een gruwel:

  • 27De hemel zal zijn ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.

  • 31Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.

  • 10Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haastelijk beroerd.

  • 7Beef, gij aarde! voor het aangezicht des Heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;

  • 14Met de koningen en raadsheren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;

  • 3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.

  • 4Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg; te zamen versteken zich de ellendigen des lands.

  • 23Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege Zijn hoogheid.

  • 20Omdat hij geen rust in zijn buik gekend heeft, zo zal hij van zijn gewenst goed niet uitbehouden.