Spreuken 30:29
Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken;
Deze drie maken een goeden tred; ja, vier zijn er, die een goeden gang maken;
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
18Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja, vier, die ik niet weet:
19De weg eens arends in den hemel; de weg ener slang op een rotssteen; de weg van een schip in het hart der zee; en de weg eens mans bij een maagd.
24Deze vier zijn van de kleinste der aarde; doch dezelve zijn wijs, met wijsheid wel voorzien.
21Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja, om vier, die zij niet dragen kan:
30De oude leeuw geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal wederkeren;
31Een windhond van goede lenden, of een bok; en een koning, die niet tegen te staan is.
27De sprinkhanen hebben geen koning; nochtans gaan zij allen uit, zich verdelende in hopen.
28De spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der koningen.
16Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.
17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.
4Ziet Hij niet mijn wegen, en telt Hij niet al mijn treden?
12En indien iemand den een mocht overweldigen, zo zullen de twee tegen hem bestaan; en een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken.
7Toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijn stoel op de straat liet bereiden.
23Mem. De gangen deszelven mans worden van den HEERE bevestigd; en Hij heeft lust aan zijn weg.
29Zie, dit alles werkt God tweemaal of driemaal met een man;
21Want Zijn ogen zijn op ieders wegen, en Hij ziet al zijn treden.
12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.
20Opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden der rechtvaardigen.
37Het getal mijner treden zou ik hem aanwijzen; als een vorst zou ik tot hem naderen.
25Laat uw ogen rechtuit zien, en uw oogleden zich recht voor u heen houden.
26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.
23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.
15De bloedzuiger heeft twee dochters: Geef, geef! Deze drie dingen worden niet verzadigd; ja, vier zeggen niet: Het is genoeg!
33Hij sprak ook van de bomen, van den cederboom af, die op den Libanon is, tot op den hysop, die aan den wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en van het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de vissen.
4En vind gunst en goed verstand, in de ogen Gods en der mensen.
3Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het boze werk, dat onder de zon geschiedt.
10Het wild gedierte en alle vee; kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte!
3Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?
8En gaat over weg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddeloze lieden.
1Alles heeft een bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijn tijd.
17De gedaante van enig beest, dat op de aarde is; de gedaante van enigen gevleugelden vogel, die door den hemel vliegt;
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
9Dan zult gij verstaan gerechtigheid, en recht, en billijkheden, en alle goed pad.
29Zulks komt ook voort van den HEERE der heirscharen; Hij is wonderlijk van raad, Hij is groot van daad.
4Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?
4Gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijn tent was;
21Als het tijd is, verheft zij zich in de hoogte; zij belacht het paard en zijn rijder.
7Want het is beter, dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedere voor het aangezicht eens prinsen, dien uw ogen gezien hebben.
29Resch. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.
9Die in oprechtheid wandelt, wandelt zeker; maar die zijn wegen verkeert, zal bekend worden.
3Den overste van vijftig, en den aanzienlijke, en den raadsman, en den wijze onder de werkmeesters, en dien, die kloek ter tale is.
21Want eens iegelijks wegen zijn voor de ogen des HEEREN, en Hij weegt al zijne gangen.
7Gij doet hem heersen over de werken Uwer handen; Gij hebt alles onder zijn voeten gezet;
8Schapen en ossen, alle die; ook mede de dieren des velds.
3Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in een kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij.
31De wet zijns Gods is in zijn hart; zijn gangen zullen niet slibberen.
7Ziet, het bed, dat Salomo heeft, daar zijn zestig helden rondom van de helden van Israel;
7De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien.
7En het eerste dier was een leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mens, en het vierde dier was een vliegenden arend gelijk.
3Dat hij ze najaagde en doortrok met vrede, door een pad, hetwelk hij met zijn voeten niet gegaan had?