Spreuken 31:21

Statenvertaling (States Bible)

Lamed. Zij vreest voor haar huis niet vanwege de sneeuw; want haar ganse huis is met dubbele klederen gekleed.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Gen 45:22 : 22 Hij gaf hun allen, iedereen, wisselklederen; maar Benjamin gaf hij driehonderd zilverlingen, en vijf wisselklederen.
  • 2 Sam 1:24 : 24 Gij, dochteren Israels, weent over Saul; die u kleedde met scharlaken, met weelde; die u sieraad van goud deed dragen over uw kleding.
  • Spr 25:20 : 20 Die liederen zingt bij een treurig hart, is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en edik op salpeter.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 31:22-31
    10 verzen
    86%

    22Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad; haar kleding is fijn linnen en purper.

    23Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.

    24Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het; en zij levert den koopman gordelen.

    25Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn haar kleding; en zij lacht over den nakomenden dag.

    26Pe. Zij doet haar mond open met wijsheid; en op haar tong is leer der goeddadigheid.

    27Tsade. Zij beschouwt de gangen van haar huis; en het brood der luiheid eet zij niet.

    28Koph. Haar kinderen staan op, en roemen haar welgelukzalig; ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:

    29Resch. Vele dochteren hebben deugdelijke gehandeld; maar gij gaat die allen te boven.

    30Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid; maar een vrouw, die den HEERE vreest, die zal geprezen worden.

    31Thau. Geef haar van de vrucht harer handen, en laat haar werken haar prijzen in de poorten.

  • Spr 31:10-20
    11 verzen
    78%

    10Aleph. Wie zal een deugdelijke huisvrouw vinden? Want haar waardij is verre boven de robijnen.

    11Beth. Het hart haars heren vertrouwt op haar, zodat hem geen goed zal ontbreken.

    12Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, al de dagen haars levens.

    13Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust harer handen.

    14He. Zij is als de schepen eens koopmans; zij doet haar brood van verre komen.

    15Vau. En zij staat op, als het nog nacht is, en geeft haar huis spijze, en haar dienstmaagden het bescheiden deel.

    16Zain. Zij denkt om een akker, en krijgt hem; van de vrucht harer handen plant zij een wijngaard.

    17Cheth. Zij gordt haar lenden met kracht, en zij versterkt haar armen.

    18Teth. Zij smaakt, dat haar koophandel goed is; haar lamp gaat des nachts niet uit.

    19Jod. Zij steekt haar handen uit naar de spil, en haar handpalmen vatten den spinrok.

    20Caph. Zij breidt haar handpalm uit tot den ellendige; en zij steekt haar handen uit tot den nooddruftige.

  • Job 31:19-20
    2 verzen
    70%

    19Zo ik iemand heb zien omkomen, omdat hij zonder kleding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;

    20Zo zijn lenden mij niet gezegend hebben, toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd;

  • Spr 7:11-12
    2 verzen
    69%

    11Deze was woelachtig en wederstrevig, haar voeten bleven in haar huis niet;

    12Nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

  • Spr 3:15-18
    4 verzen
    68%

    15Zij is kostelijker dan robijnen en al; wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken.

    16Langheid der dagen is in haar rechterhand, in haar linkerhand rijkdom en eer.

    17Haar wegen zijn wegen der liefelijkheid, en al haar paden vrede.

    18Zij is een boom des levens dengenen, die ze aangrijpen, en elkeen, die ze vasthoudt, wordt gelukzalig.

  • 1Elke wijze vrouw bouwt haar huis; maar die zeer dwaas is, breekt het af met haar handen.

  • 8Haar brood bereidt in den zomer, haar spijs vergadert in den oogst.

  • 9Zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, een sierlijke kroon zal zij u leveren.

  • Ps 45:13-14
    2 verzen
    66%

    13En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk, zullen uw aangezicht met geschenk smeken.

    14Des Konings Dochter is geheel verheerlijkt inwendig; haar kleding is van gouden borduursel.

  • 16Zijn an u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars, en des struisvogels?

  • 7Den naakten laten zij vernachten zonder kleding, die geen deksel heeft tegen de koude.

  • 25En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met haar handen, en zij brachten het gesponnene, de hemelsblauwe zijde, en het purper, het scharlaken, en het fijn linnen.

  • 10Wie is zij, die er uitziet als de dageraad, schoon, gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren?

  • 4Een kloeke huisvrouw is een kroon haars heren; maar die beschaamt maakt, is als verrotting in zijn beenderen.

  • 56Aangaande de tedere en wellustige vrouw onder u, die niet verzocht heeft haar voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teder hield; haar oog zal kwaad zijn tegen den man haars schoots, en tegen haar zoon, en tegen haar dochter;

  • 9Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.

  • 14En zij zit aan de deur van haar huis, op een stoel, op de hoge plaatsen der stad;

  • 24Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met een kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.

  • 21Zij nu zeide: Het zij alzo naar uw woorden. Toen liet zij hen gaan; en zij gingen heen; en zij bond het scharlakensnoer aan het venster.

  • 14Huis en goed is een erve van de vaderen; maar een verstandige vrouw is van den HEERE.

  • 6Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.

  • 3Uw huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden van uw huis; uw kinderen als olijfplanten rondom uw tafel.

  • 18Zij nu had een veelvervigen rok aan; want alzo werden des konings dochteren, die maagden waren, met mantels gekleed; en zijn dienaar bracht haar uit tot buiten, en grendelde de deur achter haar toe.

  • 21Zij bewoog hem door de veelheid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer lippen.

  • 23Om een hatelijke vrouw, als zij getrouwd wordt; en een dienstmaagd, als zij erfgenaam is van haar vrouw.