Spreuken 6:28

Statenvertaling (States Bible)

Zal iemand op kolen gaan, dat zijn voeten niet branden?

Aanvullende bronnen

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Spr 6:26-27
    2 verzen
    89%

    26Want door een vrouw, die een hoer is, komt men tot een stuk broods; en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.

    27Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden?

  • Spr 6:29-30
    2 verzen
    75%

    29Alzo die tot zijns naasten huisvrouw ingaat; al wie haar aanroert, zal niet onschuldig gehouden worden.

    30Men doet een dief geen verachting aan, als hij steelt om zijn ziel te vullen, dewijl hij honger heeft;

  • 21De dove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur; alzo is een kijfachtig man, om twist te ontsteken.

  • 6Wanneer een vuur uitgaat, en vat de doornen, zodat de koornhoop verteerd wordt, of het staande koorn, of het veld; hij, die de brand heeft aangestoken, zal het volkomen wedergeven.

  • 18Vanwege de verbolgenheid des HEEREN der heirscharen, zal het land verduisterd worden; en het volk zal zijn als een voedsel des vuurs: de een zal den ander niet verschonen.

  • 10Aangaande het hoofd dergenen, die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke hen.

  • 18Gelijk een, die zich veinst te razen, die vuursprankelen, pijlen en dodelijke dingen werpt;

  • 11Ook, indien twee te zamen liggen, zo hebben zij warmte; maar hoe zou een alleen warm worden?

  • 45En indien uw voet u ergert, houwt hem af; het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voeten hebbende, geworpen te worden in de hel, in het onuitblusselijk vuur;

  • 14Ziet, zij zullen zijn als stoppelen, het vuur zal ze verbranden, zij zullen zichzelven niet kunnen rukken uit de macht der vlam; het zal geen kool zijn om bij te warmen, geen vuur om daarvoor neder te zitten.

  • 20Dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun overblijfsel verteerd heeft.

  • 11Ziet, gij allen, die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt! wandelt in de vlam van uw vuur, en in de spranken, die gij ontstoken hebt. Dat geschiedt u van Mijn hand, in smart zult gijlieden liggen.

  • 21Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige, als op slijk.

  • 5Hij is een verachte fakkel, naar de mening desgenen, die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.

  • Spr 5:5-6
    2 verzen
    67%

    5Haar voeten dalen naar den dood, haar treden houden de hel vast.

    6Opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn haar gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

  • 4Ziet, het wordt aan het vuur overgegeven, opdat het verteerd worde; het vuur verteert beide zijn einden, en zijn middelste wordt verbrand; zou het deugen tot een stuk werks?

  • 23Dan zult gij uw weg zeker wandelen, en gij zult uw voet niet stoten.

  • 15Mijn zoon! wandel niet met hen op den weg; weer uw voet van hun pad.

  • 67%

    3Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat zij bijeengekomen zijn?

  • 12In uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt, zult gij niet struikelen.

  • 14Mijn God! maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.

  • 22Want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hopen, en de HEERE zal het u vergelden.

  • 9Wie stenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn.

  • 5Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd, alsof zij vuur ware.

  • 8Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat Hij ontstoken was.

  • 27Een Belialsman graaft kwaad; en op zijn lippen is als brandend vuur.

  • Spr 4:26-27
    2 verzen
    67%

    26Weeg den gang uws voets, en laat al uw wegen wel gevestigd zijn.

    27Wijk niet ter rechter hand of ter linkerhand, wend uw voet af van het kwade.

  • 31En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester tot een vonk, en zij zullen beiden te zamen branden, en er zal geen uitblusser wezen.

  • 9Laat hem henengaan, als een smeltende slak; laat hen, als ener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.

  • 2Ook is de ziel zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.

  • 13Van den glans voor Hem henen werden kolen des vuurs aangestoken.

  • 11Stel hem daarna ledig op zijn kolen, opdat hij heet worde, en zijn roest verbrande, en zijn onreinigheid in het midden van hem versmelte, zijn schuim verteerd worde.

  • 12Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen uitgeworteld zou hebben.

  • 5Voor Zijn aangezicht ging de pestilentie, en de vurige kool ging voor Zijn voeten henen.

  • 17Spaar uw voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde, en u hate.

  • 5Als gij loopt met de voetgangers, zo maken zij u moede; hoe zult gij u dan mengen met de paarden? Zo gij alleenlijk vertrouwt in een land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing van de Jordaan?

  • 9Rook ging op van Zijn neus, en een vuur uit Zijn mond verteerde; kolen werden daarvan aangestoken.

  • 20Indien dan uw vijand hongert, zo spijzigt hem; indien hem dorst, zo geeft hem te drinken; want dat doende, zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hopen.

  • 6Wie zal voor Zijn gramschap staan, en wie zal voor de hittigheid Zijns toorns bestaan? Zijn grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotsstenen worden van Hem vermorzeld.

  • 19Als wanneer iemand vlood voor het aangezicht eens leeuws, en hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een huis, en leunde met zijn hand aan den wand, en hem beet een slang.

  • 18Een hart, dat ondeugdzame gedachten smeedt; voeten, die zich haasten, om tot kwaad te lopen;

  • 17Ten tijde, als zij van hitte vervlieten, worden zij uitgedelgd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit haar plaats.

  • 29Want onze God is een verterend vuur.

  • 15Zo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzo als door vuur.

  • 6Zet mij als een zegel op Uw hart, als een zegel op Uw arm; want de liefde is sterk als de dood; de ijver is hard als het graf; haar kolen zijn vurige kolen, vlammen des HEEREN.

  • 8Maar die doornen en distelen draagt, die is verwerpelijk, en nabij de vervloeking, welker einde is tot verbranding.