Psalmen 108:12

Statenvertaling (States Bible)

Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en Die niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten?

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Ps 20:1-9 : 1 Een psalm van David, voor den opperzangmeester. 2 De HEERE verhore u in den dag der benauwdheid; de Naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek. 3 Hij zende uw hulp uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion. 4 Hij gedenke al uwer spijsofferen, en make uw brandoffer tot as. Sela. 5 Hij geve u naar uw hart, en vervulle al uw raad. 6 Wij zullen juichen over Uw heil, en de vaandelen opsteken in den Naam onzes Gods. De HEERE vervulle al uw begeerten. 7 Alsnu weet ik, dat de HEERE Zijn Gezalfde behoudt; Hij zal Hem verhoren uit den hemel Zijner heiligheid; het heil Zijner rechterhand zal zijn met mogendheden. 8 Dezen vermelden van wagens, en die van paarden; maar wij zullen vermelden van den Naam des HEEREN, onzes Gods. 9 Zij hebben zich gekromd, en zijn gevallen; maar wij zijn gerezen en staande gebleven. [ (Psalms 20:10) O HEERE! behoud; die Koning verhore ons ten dage van ons roepen. ]
  • Jes 2:22 : 22 Laat gijlieden dan af van den mens, wiens adem in zijn neus is, want waarin is hij te achten?
  • Jes 30:3-5 : 3 Want de sterkte van Farao zal ulieden tot schaamte zijn, en die toevlucht onder de schaduw van Egypte tot schande. 4 Wanneer zijn vorsten zullen geweest zijn tot Zoan, en zijn gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Chanes; 5 Hij zal hen allen beschaamd maken door een volk, dat hun geen nut kan doen, noch tot hulp, noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaadheid zijn zal.
  • Jes 31:3 : 3 Want de Egyptenaren zijn mensen, en geen God, en hun paarden zijn vlees, en geen geest; en de HEERE zal Zijn hand uitstrekken, dat de helper struikelen zal, en die geholpen wordt, zal nedervallen, en zij zullen al te zamen te niet komen.
  • Jer 17:5-8 : 5 Zo zegt de HEERE: Vervloekt is de man, die op een mens vertrouwt, en vlees tot zijn arm stelt, en wiens hart van den HEERE afwijkt! 6 Want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet gevoelt, wanneer het goede komt; maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zout en onbewoond land. 7 Gezegend daarentegen is de man, die op den HEERE vertrouwt, en wiens vertrouwen de HEERE is! 8 Want hij zal zijn als een boom, die aan het water geplant is, en zijn wortelen uitschiet aan een rivier, en gevoelt het niet, wanneer er een hitte komt, maar zijn loof blijft groen; en in een jaar van droogte zorgt hij niet, en houdt niet op van vrucht te dragen.
  • Klaagl 4:17 : 17 Ain. Nog bezweken ons onze ogen, ziende naar onze ijdele hulp; wij gaapten met ons gapen op een volk, dat niet kon verlossen.
  • Ps 146:3-5 : 3 Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is. 4 Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijn aarde; te dienzelfden dage vergaan zijn aanslagen. 5 Welgelukzalig is hij, die den God Jakobs tot zijn Hulp heeft, wiens verwachting op den HEERE, zijn God is;
  • Job 9:13 : 13 God zal Zijn toorn niet afkeren; onder Hem worden gebogen de hovaardige helpers.
  • Job 16:2 : 2 Ik heb vele dergelijke dingen gehoord; gij allen zijt moeilijke vertroosters.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Ps 60:10-12
    3 verzen
    95%

    10Moab is mijn waspot; op Edom zal ik mijn schoen werpen! juich over mij, o gij Palestina!

    11Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?

    12Zult Gij het niet zijn, o God! Die ons verstoten hadt, en niet uittoogt, o God! met onze heirkrachten? [ (Psalms 60:13) Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid, want 's mensen heil is ijdelheid. ] [ (Psalms 60:14) In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden. ]

  • 13Geef Gij ons hulp uit de benauwdheid; want des mensen heil is ijdelheid. [ (Psalms 108:14) In God zullen wij kloeke daden doen, en Hij zal onze wederpartijders vertreden. ]

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, op de Scheminith.

  • 11Wie zal mij voeren in een vaste stad? Wie zal mij leiden tot in Edom?

  • 17Ain. Nog bezweken ons onze ogen, ziende naar onze ijdele hulp; wij gaapten met ons gapen op een volk, dat niet kon verlossen.

  • 11En Asa riep tot den HEERE, zijn God, en zeide: HEERE, het is niets bij U, te helpen hetzij den machtige, hetzij den krachteloze; help ons, o HEERE, onze God! Want wij steunen op U, en in Uw Naam zijn wij gekomen tegen deze menigte; o HEERE! Gij zijt onze God; laat den sterfelijken mens tegen U niets vermogen.

  • 1Een lied op Alamoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

  • 8Onze hulp is in den Naam des HEEREN, Die hemel en aarde gemaakt heeft.

  • 11Op U ben ik geworpen van de baarmoeder af; van den buik mijner moeder aan zijt Gij mijn God.

  • 13Gij hadt mij zeer hard gestoten, tot vallens toe, maar de HEERE heeft mij geholpen.

  • 73%

    2O HEERE! hoe zijn mijn tegenpartijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.

  • 26Help mij, HEERE, mijn God! verlos mij naar Uw goedertierenheid.

  • 12O, onze God, zult Gij geen recht tegen hen oefenen? want in ons is geen kracht tegen deze grote menigte, die tegen ons komt, en wij weten niet, wat wij doen zullen; maar onze ogen zijn op U.

  • 9Help ons, o God onzes heils! ter oorzake van de eer Uws Naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om Uws Naams wil.

  • Ps 71:11-12
    2 verzen
    72%

    11Zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na, en grijpt hem, want er is geen verlosser.

    12O God, wees niet verre van mij; mijn God! haast U tot mijn hulp.

  • 23Waarlijk, tevergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen; waarlijk, in den HEERE, onzen God, is Israels heil!

  • 6Zodat wij vrijmoediglijk durven zeggen: De Heere is mij een Helper, en ik zal niet vrezen, wat mij een mens zal doen.

  • Ps 121:1-2
    2 verzen
    72%

    1Een lied Hammaaloth. Ik hef mijn ogen op naar de bergen, van waar mijn hulp komen zal.

    2Mijn hulp is van den HEERE, Die hemel en aarde gemaakt heeft.

  • 8Het is beter tot den HEERE toevlucht te nemen, dan op den mens te vertrouwen.

  • 6De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?

  • 2Ten ware de HEERE, Die bij ons geweest is, als de mensen tegen ons opstonden;

  • Ps 44:9-10
    2 verzen
    71%

    9In God roemen wij den gansen dag, en Uw Naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.

    10Maar nu hebt Gij ons verstoten en te schande gemaakt, dewijl Gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.

  • 3Vertrouwt niet op prinsen, op des mensen kind, bij hetwelk geen heil is.

  • 18Uw hand zij over den man Uwer rechterhand, over des mensen zoon, dien Gij U gesterkt hebt.

  • 26Want onze ziel is in het stof nedergebogen; onze buik kleeft aan de aarde. [ (Psalms 44:27) Sta op, ons ter hulp, en verlos ons om Uwer goedertierenheid wil. ]

  • 2HEERE, wees ons genadig, wij hebben op U gewacht; wees hun arm allen morgen, daartoe onze behoudenis ten tijde der benauwdheid.

  • 10Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal U het stof loven? Zal het Uw waarheid verkondigen?

  • 3Zijt ons genadig, o HEERE! zijt ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat.

  • 12Waarom Hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en er was geen helper.

  • 1Een psalm van David, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.

  • 8Knechten heersen over ons; er is niemand, die ons uit hun hand rukke.

  • 11Ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hun rechterhand is een rechterhand der valsheid;

  • 22Verlaat mij niet, o HEERE, mijn God! wees niet verre van mij. [ (Psalms 38:23) Haast U tot mijn hulp, HEERE, mijn Heil! ]

  • 19Zij delen mijn klederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

  • 20Onze ziel verbeidt den HEERE: Hij is onze Hulp en ons Schild.

  • 13Want kwaden, tot zonder getal toe, hebben mij omgeven; mijn ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn hart heeft mij verlaten.

  • 2Want Gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot Gij mij dan? Waarom ga ik steeds in het zwart, vanwege des vijands onderdrukking?

  • 4O God! hoor mijn gebed; neig de oren tot de redenen mijns monds.

  • 35En zegt: Verlos ons, o God onzes heils, en verzamel ons, en red ons van de heidenen, dat wij Uw heiligen Naam loven, en dat wij ons Uws lofs roemen.

  • 13Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijn ellende; zij hebben geen helper van doen.

  • 13Is dan mijn hulp niet in mij, en is de wijsheid uit mij verdreven?

  • 6Door U zullen wij onze wederpartijders met hoornen stoten; in Uw Naam zullen wij vertreden, die tegen ons opstaan.

  • 2O Herder Israels! neem ter ore, Die Jozef als schapen leiddet; Die tussen de cherubim zit, verschijn blinkende.

  • 2Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?

  • 40En de HEERE zal hen helpen, en zal hen bevrijden; Hij zal ze bevrijden van de goddelozen, en zal ze behouden; want zij betrouwen op Hem.