Psalmen 120:7
Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.
Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zijn zij aan den oorlog.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
6Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.
6Bidt om den vrede van Jeruzalem; wel moeten zij varen, die u beminnen.
7Vrede zij in uw vesting, welvaren in uw paleizen.
8Om mijner broederen en mijner vrienden wil, zal ik nu spreken, vrede zij in u!
20Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedriegelijke zaken tegen de stillen in het land.
4Grimmigheid is bij Mij niet; wie zou Mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat Ik tegen hem zou aanvallen, en hem te gelijk verbranden zou?
5Of hij moest Mijn sterkte aangrijpen, hij zal vrede met Mij maken; vrede zal hij met Mij maken.
3Ofschoon mij een leger belegerde, mijn hart zou niet vrezen; ofschoon een oorlog tegen mij opstond, zo vertrouw ik hierop.
18Des avonds, en des morgens, en des middags zal ik klagen en getier maken; en Hij zal mijn stem horen.
6De HEERE is bij mij, ik zal niet vrezen; wat zal mij een mens doen?
7De HEERE is bij mij onder degenen, die mij helpen; daarom zal ik mijn lust zien aan degenen, die mij haten.
20God zal horen, en zal hen plagen, als die van ouds zit, Sela; dewijl bij hen gans geen verandering is, en zij God niet vrezen.
21Hij slaat zijn handen aan degenen, die vrede met Hem hadden; hij ontheiligt Zijn verbond.
10Want mijn vijanden spreken van mij, en die op mijn ziel loeren, beraadslagen te zamen,
2Want de mond des goddelozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan; zij hebben met mij gesproken met een valse tong.
3En met hatelijke woorden hebben zij mij omsingeld; ja, zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.
4Voor mijn liefde, staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.
2Red mij, HEERE! van den kwaden mens; behoed mij voor den man alles gewelds;
21Zou ik niet haten HEERE! die U haten? en verdriet hebben in degenen, die tegen U opstaan?
22Ik haat hen met volkomen haat, tot vijanden zijn zij mij.
4HEERE, mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijn handen is;
1Een psalm van David, als hij vlood voor het aangezicht van zijn zoon Absalom.
5Maar die zich neigen tot hun kromme wegen, die zal de HEERE weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israel zijn!
11En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede.
4Aanschouw, verhoor mij, HEERE, mijn God; verlicht mijn ogen, opdat ik in de dood niet ontslape;
17En den weg des vredes hebben zij niet gekend.
3Trek mij niet weg met de goddelozen, en met de werkers der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hun naasten, maar kwaad is in hun hart.
13Ik ben uit het hart vergeten als een dode; ik ben geworden als een bedorven vat.
21De goddelozen, zegt mijn God, hebben geen vrede.
8Toon ons Uw goedertierenheid, o HEERE, en geef ons Uw heil.
19Want ik maak U mijn ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijn zonde.
19Resch. Aanzie mijn vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met een wreveligen haat.
7En zo iemand van hen komt, om mij te zien, hij spreekt valsheid; zijn hart vergadert zich onrecht; gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.
10Wanneer gij nadert tot een stad om tegen haar te strijden, zo zult gij haar den vrede toeroepen.
3Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en verlos mij van de mannen des bloeds.
34Meent niet, dat Ik gekomen ben, om vrede te brengen op de aarde; Ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.
22Maar de goddelozen hebben geen vrede, zegt de HEERE.
6Ik lag neder en sliep; ik ontwaakte, want de HEERE ondersteunde mij.
18En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen, die vrede maken.
4Hij zal van den hemel zenden, en mij verlossen, te schande makende dengene, die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal Zijn goedertierenheid en Zijn waarheid zenden.
3O God! verlos mij door Uw Naam, en doe mij recht door Uw macht.
8Hun tong is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijn naaste van vrede met zijn mond, maar in zijn binnenste legt hij lagen.
3Merk op mij, en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijn klacht, en maak getier;
8Gij hebt vreugde in mijn hart gegeven, meer dan ter tijd, als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn. [ (Psalms 4:9) Ik zal in vrede te zamen nederliggen en slapen; want Gij, o HEERE! alleen zult mij doen zeker wonen. ]
41En Gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner haters, en ik vernielde hen.
12Mijn liefhebbers en mijn vrienden staan van tegenover mijn plage, en mijn nabestaanden staan van verre.
25De ondergang komt; en zij zullen den vrede zoeken, maar hij zal er niet zijn.
14En zij genezen de breuk van de dochter Mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede! doch daar is geen vrede.
8Ik waak, en ben geworden als een eenzame mus op het dak.
12Zij hadden mij omringd als bijen; zij zijn uitgeblust als een doornenvuur; het is in den Naam des HEEREN, dat ik ze verhouwen heb.