Psalmen 49:13
De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.
De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan.
Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.
10Dat hij ook voortaan geduriglijk zou leven, en de verderving niet zien.
11Want hij ziet, dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen, en hun goed anderen nalaten.
12Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.
14Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Sela.
31Zo zullen zij eten van de vrucht van hun weg, en zich verzadigen met hun raadslagen.
32Want de afkering der slechten zal hen doden, en de voorspoed der zotten zal hen verderven.
24Der wijzen kroon is hun rijkdom; de dwaasheid der zotten is dwaasheid.
12Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
17Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eer van zijn huis groot wordt;
18Want hij zal in zijn sterven niet met al medenemen, zijn eer zal hem niet nadalen.
19Hoewel hij zijn ziel in zijn leven zegent, en zij u loven, omdat gij uzelven goed doet;
20Zo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien. [ (Psalms 49:21) De mens, die in waarde is, en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten, die vergaan. ]
13In het goede verslijten zij hun dagen; en in een ogenblik dalen zij in het graf.
3De dwaasheid des mensen zal zijn weg verkeren; en zijn hart zal zich tegen den HEERE vergrammen.
9Maar zij zullen niet meerder toenemen; want hun uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook die van genen geworden is.
23Hij zal sterven, omdat hij zonder tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.
33Dies deed Hij hun dagen vergaan in ijdelheid, en hun jaren in verschrikking.
20Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.
21Verreist niet hun uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.
8De wijsheid des kloekzinnigen is zijn weg te verstaan; maar dwaasheid der zotten is bedriegerij.
9Elke dwaas zal de schuld verbloemen; maar onder de oprechten is goedwilligheid.
15De weg des dwazen is recht in zijn ogen; maar die naar raad hoort, is wijs.
18Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.
21De dwaasheid is den verstandeloze blijdschap; maar een man van verstand zal recht wandelen.
18De gangen haars wegs wenden zich ter zijde af; zij lopen op in het woeste, en vergaan.
4Want er zijn geen banden tot hun dood toe, en hun kracht is fris.
10Alzo heb ik ook gezien de goddelozen, die begraven waren, en degenen, die kwamen, en uit de plaats des Heiligen gingen, die werden vergeten in die stad, in dewelke zij recht gedaan hadden. Dit is ook ijdelheid.
16Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van een wijze, dan van een dwaas zijn; aangezien hetgeen nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met den zot?
35De wijzen zullen eer beerven; maar elkeen der zotten neemt schande op zich.
15Ijdelheid zijn zij, een werk van verleidingen; ten tijde hunner bezoeking zullen zij vergaan.
9Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen, en hun zonden spreken zij vrij uit, gelijk Sodom; zij verbergen ze niet. Wee hunlieder ziel; want zij doen zichzelven kwaad.
25Er is een weg, die iemand recht schijnt; maar het laatste van dien zijn wegen des doods.
8In een ding zijn zij toch onvernuftig en zot: een hout is een onderwijs der ijdelheden.
4Doch ik zeide: Zekerlijk, deze zijn arm; zij handelen zottelijk, omdat zij den weg des HEEREN, het recht hun Gods niet weten.
33Wijsheid rust in het hart des verstandigen; maar wat in het binnenste der zotten is, wordt bekend.
1Een onderwijzing van David, voor den opperzangmeester, op Machalath.
3Dit is een kwaad onder alles, wat onder de zon geschiedt, dat enerlei ding allen wedervaart, en dat ook het hart der mensenkinderen vol boosheid is, en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart; en daarna moeten zij naar de doden toe.
13Hij vangt de wijzen in hun arglistigheid; dat de raad der verdraaiden gestort wordt.
5HEERE! maak mij bekend mijn einde, en welke de mate mijner dagen zij; dat ik wete, hoe vergankelijk ik zij.
6Zie, Gij hebt mijn dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor U; immers is een ieder mens, hoe vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.
6Gij hebt lief alle woorden van verslinding, en een tong des bedrogs.
7God zal u ook afbreken in eeuwigheid; Hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken; ja, Hij zal u uitwortelen uit het land der levenden. Sela.
48Gedenk van hoedanige eeuw ik ben; waarom zoudt Gij aller mensenkinderen tevergeefs geschapen hebben?
8Zij waren kinderen der dwazen, en kinderen van geen naam; zij waren geslagen uit den lande.
16Vernieling en ellendigheid is in hun wegen;
11Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijn kracht voor zijn God.
3En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk, dat hij dwaas is.
11Neem Uw plage van op mij weg, ik ben bezweken van de bestrijding Uwer hand.
6De kroon de ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hun vaderen.
3Ik heb gezien een dwaas wortelende; doch terstond vervloekte ik zijn woning.