Prediker 1:7

Statenvertaling (States Bible)

Al de beken gaan in de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats, waar de beken heengaan, derwaarts gaande keren zij weder.

Aanvullende bronnen

Gerefereerde verzen

  • Job 38:10-11 : 10 Toen Ik voor haar met Mijn besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren; 11 En zeide: Tot hiertoe zult gij komen, en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven.
  • Ps 104:6-9 : 6 Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen. 7 Van Uw schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem Uws donders. 8 De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse, die Gij voor hen gegrond hadt. 9 Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.

Vergelijkbare verzen (AI)

Deze verzen worden gevonden met AI-aangedreven semantische overeenkomst op basis van betekenis en context. Resultaten kunnen soms onverwachte verbanden bevatten.

  • Pred 1:4-6
    3 verzen
    82%

    4Het ene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid.

    5Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar haar plaats, waar zij oprees.

    6Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om naar het noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weder tot zijn omgangen.

  • Pred 1:8-10
    3 verzen
    80%

    8Al deze dingen worden zo moede, dat het niemand zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van horen.

    9Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zodat er niets nieuws is onder de zon.

    10Is er enig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Ziet dat, het is nieuw? Het is alreeds geweest in de eeuwen, die voor ons geweest zijn.

  • 11De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort;

  • Ezech 47:8-9
    2 verzen
    73%

    8Toen zeide hij tot mij: Deze wateren vlieten uit naar het voorste Galilea, en dalen af in het vlakke veld; daarna komen zij in de zee; in de zee uitgebracht zijnde, zo worden de wateren gezond.

    9Ja, het zal geschieden, dat alle levende ziel, die er wemelt, overal, waarhenen een der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel vis zijn, omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden, en het zal leven, alles, waarhenen deze beek zal komen.

  • 10Daarom keert zich Zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,

  • Pred 12:7-8
    2 verzen
    71%

    7En dat het stof wederom tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, Die hem gegeven heeft.

    8Ijdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; het is al ijdelheid!

  • 7Hij vergadert de wateren der zee als op een hoop; Hij stelt den afgronden schatkameren.

  • 15Ziet, Hij houdt de wateren op, en zij drogen uit; ook laat Hij ze uit, en zij keren de aarde om.

  • 7Al de arbeid des mensen is voor zijn mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.

  • 27Want Hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen na zijn damp uitgieten;

  • 20Zij gaan allen naar een plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof.

  • 33Hij stelt de rivieren tot een woestijn, en watertochten tot dorstig land.

  • 7Ik wendde mij wederom, en ik zag een ijdelheid onder de zon;

  • 7De zee bruise met haar volheid, de wereld met degenen, die daarin wonen.

  • Pred 1:14-15
    2 verzen
    69%

    14Ik zag al de werken aan, die onder de zon geschieden; en ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes.

    15Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden.

  • Ps 104:9-10
    2 verzen
    69%

    9Gij hebt een paal gesteld, dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.

    10Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tussen de gebergten henen wandelen.

  • 16Laat uw fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten;

  • 16Dat hij ook alle dagen in duisternis gegeten heeft; en dat hij veel verdriets gehad heeft, ook zijn krankheid, en onstuimigen toorn?

  • 3Als de wolken vol geworden zijn, zo storten zij plasregen uit op de aarde; en als de boom naar het zuiden, of als hij naar het noorden valt, in de plaats, waar de boom valt, daar zal hij wezen.

  • 4Hij scheldt de zee, en maakt ze droog, en Hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwelen, ook kweelt de bloem van Libanon.

  • 16Er is geen einde van al het volk, van allen, die voor hen geweest zijn; de nakomelingen zullen zich ook over hem niet verblijden; gewisselijk, dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes. [ (Ecclesiastes 4:17) Bewaar uw voet, als gij tot het huis Gods ingaat, en zijt liever nabij om te horen, dan om der zotten slachtoffer te geven; want zij weten niet, dat zij kwaad doen. ]

  • 10Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert; maar doorvochtigt de aarde, en maakt, dat zij voortbrenge en uitspruite, en zaad geve den zaaier, en brood den eter;

  • 10Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.

  • 11Welt ook een fontein uit een zelfde ader het zoet en het bitter?

  • 11Hij bindt de rivier toe, dat niet een traan uitkomt, en het verborgene brengt hij uit in het licht.

  • 9Langer dan de aarde is haar maat, en breder dan de zee.

  • 16Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld?

  • 1Des konings hart is in de hand des HEEREN als waterbeken. Hij neigt het tot al wat Hij wil.

  • 5En zij zullen de wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal verzijpen en verdrogen.

  • 14De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.

  • 68%

    8En twee, drie steden togen om tot een stad, opdat zij water mochten drinken, maar werden niet verzadigd; nochtans hebt gij u niet bekeerd tot Mij, spreekt de HEERE.

  • 5Wat was u, gij zee! dat gij vloodt? gij Jordaan! dat gij achterwaarts keerdet?

  • 25Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met grote.

  • 16Als Hij Zijn stem geeft, zo is er een gedruis van wateren in den hemel, en Hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; Hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit Zijn schatkameren.

  • 17Toen zag ik alle werk Gods, dat de mens niet kan uitvinden, het werk, dat onder de zon geschiedt, om hetwelk een mens arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden; ja, indien ook een wijze zeide, dat hij het zou weten, zo zal hij het toch niet kunnen uitvinden.

  • 2Ijdelheid der ijdelheden, zegt de prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.

  • 1Werp uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen.

  • 1Alles heeft een bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijn tijd.

  • 32Dat de zee bruise met haar volheid, dat het veld huppele van vreugde, met al wat daarin is.

  • 14Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des HEEREN bekennen, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.